Abonneer Log in

Zelfstandigen krijgen (te) veel waar voor hun geld

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 5 (mei), pagina 58 tot 62

Zelfstandigen dragen verhoudingsgewijs weinig bij in ruil voor de sociale bescherming waarop zij recht hebben. Het probleem is dat zelfstandigen haast van nature uit individualistisch zijn ingesteld en solidariteit tussen de minder goed verdienende zelfstandigen en de grootverdieners ver te zoeken is.

SOCIALE ZEKERHEID

Fight for 14
Lars Vande Keybus en Jean-Marie De Baene
Zelfstandigen krijgen (te) veel waar voor hun geld
Ria Janvier
Redenen voor anciënniteitsbarema’s
Sem Vandekerckhove

Vooraf is het belangrijk te beklemtonen dat er eigenlijk twee grote groepen zelfstandigen zijn. Er zijn zelfstandigen die zeer hard werken en van wie dat harde werken niet of nauwelijks financiële vruchten afwerpt. Het valt niet te ontkennen dat de sociale bescherming van deze categorie niet bepaald riant is ingeval zij er niet in slagen om, ieder voor zich, hun sociale bescherming via private verzekeringen op een hoger niveau te tillen.

Maar er zijn er ook anderen: goed tot zeer goed verdienende zelfstandigen die bovendien hun beroepsinkomen (para)fiscaal – wel degelijk op een legale manier, daar niet van – weten te optimaliseren. Het zijn die 'superzelfstandigen' die een (te) grote 'return on investment' krijgen als sociale bijdragen en sociale prestaties tegenover elkaar worden afgewogen.

Waarschijnlijk zijn er nu al zelfstandigen die onmiddellijk in hun pen willen kruipen om de professor eens flink de les te lezen. Volgens de zelfstandigen zelf houden zij, en zij alleen, de hele samenleving recht; zij betalen naar eigen zeggen alles voor iedereen; de welvaart komt enkel en alleen van hen. Het zijn die per definitie luie, vermaledijde ambtenaren die dringend zouden moeten inleveren. Dit soort van argumentatie is als het ware een klassieker, want het is eigen aan de zelfstandigen dat zij steevast schieten op de andere beroepsgroepen die naar hun oordeel veel beter af zijn. Uiteraard is het belangrijk dat er mensen zijn die het risico willen lopen om een zaak als zelfstandige op te starten. Onze economie heeft zelfstandigen nodig en de overheid mag ondernemerszin best aanmoedigen. Maar niemand heeft iemand toch ooit verplicht om zelfstandige te worden? Men zou mogen veronderstellen dat dit een vrije keuze is. Als iemand als zelfstandige aan de slag gaat, kent die toch de voor- en nadelen ervan. Waarom zelfstandigen dan steeds onverdroten afgeven op de ambtenaren en de werknemers, is vanuit dat oogpunt onbegrijpelijk.

HET DUITJE VAN DE ZELFSTANDIGEN

En daar begint het dan voorgoed. Zelfstandigen beweren steevast dat zij meer bijdragen aan de sociale zekerheid dan de werknemers. Die bewering getuigt van kortzichtigheid; en zelfstandigen die zelf personeel in dienst hebben, weten dat maar al te goed. Het gaat niet op de vergelijking te beperken tot de bijdragen van de zelfstandigen aan hun sociaal statuut en de werknemersbijdragen. Ter financiering van de sociale zekerheid voor werknemers worden immers niet alleen werknemersbijdragen ingehouden op het brutoloon, hun werkgever betaalt bovenop dat loon ook nog eens een fiks percentage aan werkgeversbijdragen.

De bijdragen van de werkgevers en de werknemers worden berekend op het brutoloon, bij de zelfstandigen op hun netto beroepsinkomsten. Dat is op zich niet onlogisch want een zelfstandige heeft vanzelfsprekend meer beroepsuitgaven, zij het dat onder die noemer soms kosten worden ingebracht die niet altijd even professioneel gerelateerd zijn. Een werknemer die zijn werkelijke kosten niet bewijst aan de fiscus, geniet een forfaitaire aftrek voor beroepskosten. Daardoor neemt zijn belastbaar inkomen af, maar hij en zijn werkgever hebben wel sociale bijdragen vereffend op het brutoloon.

De bijdragen van de werkgevers en de werknemers worden betaald op het volledige brutoloon, in de regeling voor de zelfstandigen speelt er een maximum 88.119,80 euro (2019) en de zelfstandige die netto meer overhoudt dan dat maximum moet op die hoogste schijf niet bijdragen.

De bijdragen van de werkgevers (minstens 25%) en van de werknemers (13,07%) blijven dezelfde, daar waar de bijdragen vanwege de zelfstandigen degressief verlopen. Dat betekent dat hoe meer een zelfstandige verdient, hoe minder bijdragen die proportioneel verschuldigd is: 20,50% op de inkomensschijf tot 59.795,61 euro (2019) en 14,16% op het gedeelte daarboven tot aan het maximumplafond. Als een zelfstandige niet minstens 13.847,39 euro netto op jaarbasis overhoudt of eventueel verlieslatend is, kan die vrijstelling krijgen van bijdrageplicht. Dat brengt met zich dat een zelfstandige die vrijgesteld is van bijdragen toch 'gratis' beschermd is, met dank aan onze sociale zekerheid.

SOLIDARITEIT: WABLIEFT?

Werknemers die een hoog loon hebben, en hun werkgevers, betalen bijdragen op het volledige brutoloon, daar waar relatief lage loongrenzen gelden op het vlak van de uitkeringen.

De allerhoogste werkloosheidsuitkeringen bijvoorbeeld bedragen gedurende drie maanden 65% van maximum 2.671,37 euro. Daarna gaat het alleen maar bergaf, én met het percentage én met de toepasselijke loongrens. Zelfstandigen komen niet in aanmerking voor werkloosheidsuitkeringen om de simpele reden dat ze niet bijdragen voor deze sector. Dat neemt niet weg dat zelfstandigen in moeilijkheden tot een jaar overbruggingsuitkeringen kunnen krijgen hoewel ze nooit bijdragen hebben betaald voor hun bescherming tegen dit risico.

Wat leert het voorgaande? Dat werknemers geacht worden om solidair te zijn; de grootverdieners met de kleine verdieners. Dat is de essentie van onze sociale zekerheid: solidariteit. En laat daar nu net het schoentje wringen binnen de beroepsgroep van de zelfstandigen. Het financieringssysteem bevoordeelt de superzelfstandigen. Moesten zij bereid zijn om bijdragen te betalen op hun werkelijke beroepsinkomsten, niet degressief en zonder maximum, dan zou de sociale bescherming van de zelfstandigen kunnen worden verbeterd. De zelfstandigen hoeven met andere woorden de andere beroepsgroepen niet met de vinger te wijzen. Ze moeten elkaar op de vingers tikken. Het zou ook al helpen als de zelfstandigen bereid zouden zijn, ieder naar draagkracht, om meer bij te dragen. Kortom, werkelijk solidair te zijn. Elk voorstel in die richting wordt echter vakkundig afgeblokt. Zelfstandigen willen niet solidair zijn. Ieder voor zich en God voor ons allen, is het devies. De begoede zelfstandigen geven er de voorkeur aan om voor zichzelf extra aanvullende verzekeringen te sluiten, liever dan mee te zorgen voor de minder fortuinlijke leden van hun beroepsgroep.

En alles kan erger. Slimme superzelfstandigen richten vaak een vennootschap op en keren aan zichzelf een beroepsinkomen uit van om en bij de 59.800 euro op jaarbasis waarop hun bijdragen aan het sociaal statuut worden berekend. Voor het overige leven zij op kosten van de vennootschap die voor hen – nogmaals herhaald – ook allerhande aanvullende verzekeringen sluit waarvan de kostprijs in mindering komt van de winst van de vennootschap. Dat bedrag van 59.800 euro is niet willekeurig gekozen, want deze werkwijze levert aan de superzelfstandigen het beste rendement op van hun sociale bijdragen. Die 59.800 euro is namelijk ook de maximumgrens waarop de berekening van hun pensioen zal gebeuren. Moesten zelfstandigen bijdragen op een hoger beroepsinkomen, dan levert hen dat geen betere sociale bescherming op. In de werknemersregeling heet dat solidariteit, binnen de groep van de zelfstandigen heet dat optimalisatie.

En dan zijn er nog de zelfstandigen in bijberoep. Dat zijn werknemers of ambtenaren die daarnaast nog wat bijklussen – niet vrij van belastingen en sociale bijdragen wel te verstaan – als zelfstandige. Zij betalen mee aan het sociaal statuut van de zelfstandigen in hoofdberoep. Dat is een vorm van pure solidariteit voor zover de zelfstandigen in bijberoep vrijwel nooit gerechtigd zullen zijn op prestaties in het raam van het sociaal statuut van de zelfstandigen.

Het mooiste voorbeeld dat zelfstandigen substantieel minder bijdragen dan de werknemers en hun werkgevers, is terug te vinden in de pensioenformule. De grote principes die aan de basis liggen van de berekening van het wettelijk pensioen, zijn dezelfde voor werknemers en zelfstandigen. Waarom ligt het wettelijk pensioen van een zelfstandige dan lager? Heel eenvoudig omdat het zelfstandigenpensioen een correctie ondergaat doordat voor elke euro die wordt bijgedragen aan het werknemerspensioen, een zelfstandige slechts 0,60 euro bijdraagt voor zijn zelfstandigenpensioen. Is dat oneerlijk? Neen toch, het kan haast niet transparanter. Moesten de zelfstandigen bereid zijn om meer bij te dragen – lees: evenveel als wordt bijgedragen voor het werknemerspensioen – dan zal hun pensioen hetzelfde zijn als dat van de werknemers, en komt er als vanzelf een einde aan de klaagzang.

VOOR WAT, HOORT 'VEEL'

Intussen is de sociale bescherming van de zelfstandigen in aanzienlijke mate toegenomen, met dank aan de regering-Michel. Ook voordien al werd het onderscheid tussen de zelfstandigen en de andere beroepsgroepen weggewerkt op het vlak van gezondheidszorg en de gezinsbijslagen, ook zonder bijdrageverhoging. De regering-Michel heeft aan de ene kant een taxshift doorgevoerd voor de zelfstandige waardoor zij nog maar 20,5% aan bijdragen moeten betalen op hun eerste inkomensschijf, in 2015 was dat nog 22%. Aan de andere kant zijn de prestaties ten voordele van de zelfstandigen tijdens de aflopende legislatuur alleen maar verbeterd. Alsmaar meer waar voor steeds minder geld dus.

Een eerste voorbeeld van die verbeterde bescherming is het inkorten van het tijdvak van arbeidsongeschiktheid waarin de zelfstandige nog geen uitkeringen ontvangt. Vroeger was dat drie maanden, daarna nog een maand, vervolgens twee weken, en het is de bedoeling dat in de toekomst de zelfstandige vanaf dag 1 van zijn arbeidsongeschiktheid een vervangingsinkomen krijgt van de sociale zekerheid. Misschien past het hierbij op te merken dat een bediende de eerste maand van zijn arbeidsongeschiktheid een gewaarborgd loon geniet van... zijn werkgever, niet vanwege de sociale zekerheid.

Vrouwelijke zelfstandigen komen in aanmerking voor moederschapsrust. Zij mogen die nemen, zij moeten die niet nemen, want ze zijn nu eenmaal hun eigen baas. Het aantal weken mogelijke moederschapsrust werd stelselmatig opgevoerd en loopt intussen op tot 12 weken. Tijdens de moederschapsrust krijgt elke zelfstandige een forfaitair vervangingsinkomen van bijna 500 euro per week.

De zelfstandige vader of meemoeder krijgt een geboorteverlof van tien dagen volledig voor rekening van de sociale zekerheid; in de werknemersregeling betaalt de werkgever de eerste drie dagen van dat verlof.

Zelfstandigen genieten intussen van een adoptieverlof en een uitgebreid pleegzorgverlof onder dezelfde voorwaarden als de werknemers, opnieuw integraal op kosten van onze sociale zekerheid.

Wie tijdelijk – geheel of gedeeltelijk – zijn zelfstandige beroepsactiviteit onderbreekt om te zorgen voor een ernstig zieke persoon, voor zijn gehandicapt kind of om palliatieve zorgen te verlenen, krijgt een uitkering voor mantelzorg.

Allemaal zeer terecht, maar koken kost geld en elke euro kan maar een keer worden uitgegeven.

Dan resten er nog de pensioenen. Deze regering heeft het niveau van de minimumpensioenen opgetrokken. Zelfstandigen en werknemers zijn daarbij gelijk voor de wet. Wetende dat 80% van de zelfstandigen het minimumpensioen krijgt, is dit duidelijk een voordeel voor de zelfstandigen. Los van het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd, zijn de zelfstandigenpensioenen zo goed als buiten schot gebleven bij de doorgevoerde hervormingen. Zoals eerder aangehaald, maken de meeste zelfstandigen hun schamele wettelijk pensioen goed via allerhande aanvullende pensioenconstructies. Het sluiten van aanvullende pensioenverzekeringen wordt fiscaal begunstigd, zowel wat de premies betreft als op het moment van de uitbetaling van het pensioenkapitaal. Daar hoor je geen enkele zelfstandige haan naar kraaien. Een discussie over de hoogte van het pensioen mag zich dan ook niet beperken tot de wettelijke pensioenen, ook de aanvullende pensioenen moeten daarbij worden betrokken.

En voor wie (nog) niet overtuigd is: de staatstoelage aan het sociaal statuut van de zelfstandigen anno 2014 bedroeg 29,27% van de totale financiering. In het raam van de sociale zekerheid van de werknemers lag dit aandeel op 16,62%. Die overheidssubsidies zijn afkomstig vanuit de algemene middelen, belastingen onder andere. Deze cijfers spreken voor zich.

WELKE MAATSCHAPPIJVISIE?

Het is helemaal niet de bedoeling om het debat over de toekomst van onze sociale zekerheid in het algemeen en van onze pensioenen in het bijzonder (nog verder) te polariseren. Het is wel de bedoeling om aan de gewaardeerde zelfstandigen duidelijk te maken dat zij heus wel waar voor hun geld krijgen en dat de beperkte wettelijke bescherming van de zelfstandigen met een laag beroepsinkomen best wordt opgelost door het verhogen van de solidariteit binnen de eigen beroepsgroep, niet door de werknemers en de ambtenaren als kop van Jut te gebruiken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 5 (mei), pagina 58 tot 62