Abonneer Log in

Duitse arbeidsmarkt: model of waarschuwing?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 7 (september), pagina 53 tot 57

Terwijl in Vlaanderen het Duitse model om de haverklap naar voren wordt geschoven als blauwdruk voor de hervorming van de arbeidsmarkt, zit de grootste handelspartner van België met de handen in het haar: op dit moment flirt Duitsland met een recessie, staat de exportsector onder druk door de Chinees-Amerikaanse handelsoorlog en kampt de Duitse arbeidsmarkt met de gevolgen van een verregaande dualisering.

BUITENLAND

Bericht uit het ‘echte’ Zweden
Inga Verhaert
Fuseer PvdA en GroenLinks!
Peter Kanne
Welke strategie kiest Amerikaans links?
Dimitri Neyt
Duitse arbeidsmarkt: model of waarschuwing?
Bjorn Gens

Die einzige gesellschaftliche Macht der Arbeiter ist ihre Zahl. (Karl Marx, 1867)1

In Duitsland groeit de groep werknemers die aan onzekere arbeidsvoorwaarden werken met rasse schreden. Tussen 2004 en 2012 alleen al verdriedubbelde het aantal mensen dat via interim-arbeid tewerkgesteld wordt.2 Maar de verschuiving van vast naar tijdelijk werk is al lang niet meer de enige verzuchting die de Duitse werknemer rijk is. Werken is in Duitsland immers geen garantie meer op een leven zonder armoede. Zo waren er in 2018 volgens de officiële statistieken van het Duitse agentschap voor arbeid maar liefst 7,67 miljoen mensen die zich moesten behelpen met mini-jobs en daarmee niet meer dan 450 euro per maand verdienden.3 De ene verdient zijn boterham, de andere zoekt na het werk een manier om de monden te voeden: zo valt de dualisering van de arbeidsmarkt in Duitsland in een notendop op groteske wijze te beschrijven.

DEREGULERING VAN INDUSTRIËLE RELATIES

Een duale arbeidsmarkt bestaat uit een kern van werknemers die verzekerd zijn van sterke rechten en een groep van werknemers aan de periferie die niet in de buurt komen van degelijke arbeidsvoorwaarden of werkzekerheid. Tot die laatste groep behoren niet alleen Uber-chauffeurs of Deliveroo-koeriers, maar ook winkelbediendes met halve contracten, fruitplukkers of magazijnmedewerkers die niet weten of ze 's anderendaags terug aan de slag mogen. In Duitsland werd die opdeling van de arbeidsmarkt de voorbije vijftien jaar structureel geïnstitutionaliseerd in het economische model en bestaat er per soort job een waaier aan rechtenpakketten of een gebrek eraan: mini-jobs, flexi-jobs en tijdelijke contracten.

Als gecoördineerde economie dient België vooral lessen te trekken uit de deregulering van de industriële relaties die voortkwam uit de grootschalige Hartz-hervormingen uit 2004. Zo werd in 2002 de Duitse Bundesanstalt für Arbeit in het kader van het hervormingsplan 'Agenda 2010' omgevormd tot Bundesagentur für Arbeit. Die instelling vormt het symbolische hart van het Duitse economische model, het ordoliberalisme, waarin de ontwikkeling van de arbeidsmarkt zorgvuldig gecoördineerd wordt in samenspraak met vakbonden en werkgevers. Sindsdien wordt de voorzitter van de Bundesagentur für Arbeit echter niet langer benoemd door werkgever- en werknemersorganisaties, maar duidt het bevoegde ministerie de voorzitter aan.4 Ook het Mitbestimmungsprinzip5, dat het overleg tussen vakbonden en werkgevers typeert, heeft ontegensprekelijk aan kracht ingeboet. Door een ingeperkte onderhandelingsruimte voor vakbonden werden akkoorden over overkoepelende minimumarbeidsvoorwaarden moeilijker af te sluiten en kwam een nationaal minimumloon over de sectoren heen jarenlang amper ter sprake. Loonafspraken werden slechts per uitzondering vastgelegd, vaak zonder bindende kracht. Op die manier groeide in Duitsland exponentieel het aantal jobs waarbij mensen wel werken, maar niet de middelen verwerven die volstaan voor een levenswaardig bestaan. Het zou echter naïef en onjuist zijn om te stellen dat de regering-Schröder eigenhandig aan de basis ligt van de duale arbeidsmarkt zoals die vandaag in Duitsland bestaat. Om lessen te trekken voor België is meer nodig.

OORSPRONG VAN DUALISERING

Na de Val van de Muur leek het liberale model van de vrije markt als ultieme overwinnaar uit de Koude Oorlog te komen. Dat nota bene een sociaaldemocratische regering de eigen arbeidsmarkt met deregulerende maatregelen zou hervormen, valt in de tijdsgeest van de euforische jaren 1990 dus enigszins historisch te duiden. Tegelijk verklaart de ideologische dominantie van het neoliberalisme niet alles en heeft ze weinig werkelijke duidingskracht. Een land zoals België heeft immers een gecoördineerde markteconomie die in zekere zin te vergelijken valt met het Duitse model, maar toch lijkt in België de dualisering van de arbeidsmarkt geen gelijke ingang gevonden te hebben.6 Hoe valt dat opvallende verschil dan te verklaren?

De regering-Schröder mag de periferie van de arbeidsmarkt dan wel genormaliseerd hebben, ze ligt niet aan de basis van het ontstaan ervan. Sinds de economische crisissen van de jaren 1970 en 1980 kwamen de industriële relaties tussen werkgever en werknemer al onder druk te staan. De stijgende globalisering voegde in hoge mate marktcompetitie van buitenaf toe aan de westerse economieën. De concurrentie van fabriekswerk uit lageloonlanden beïnvloedde de loonpolitiek van werkgevers die meer ad hoc wilden onderhandelen en benadeelde op die manier de onderhandelingspositie van vakbonden. Vooral gecoördineerde markteconomieën met een hoog niveau van gelijkheid werden stelselmatig onder druk gezet, omdat de roep naar de liberalisering van arbeidsovereenkomsten groter werd en het dus moeilijker werd om gelijkheid in loon en rechten te bewaren.7 Daarnaast gaven ook de technologische vooruitgang in de industriële sectoren en de daarmee gepaarde gaande opkomst van de dienstensector aanleiding tot dualisering. Niet alleen werden grote groepen ongeschoolde werknemers uit de industriële sectoren geduwd, door de stijgende werkloosheid werden ze ook van de meer precaire jobs verdrongen door werknemers met hogere kwalificaties.8

WAAROM KLASSESTRIJD ERTOE DOET

Zowel de Duitse als de Belgische arbeidsmarkt hadden dus te kampen met vergelijkbare problemen. De manieren die door vakbonden en werkgevers gekozen werden om die historische uitdagingen te lijf te gaan, bepaalden echter ook de verdere ontwikkeling van de arbeidsmarkt. De basis voor dat overleg tussen de partners is evenwel niet overal dezelfde. Waar België meer een gecoördineerd model heeft dat bij overleg en afspraken vooral de nadruk legt op gelijkheid tussen arbeiders en sectoren, is de Duitse arbeidsmarkt meer gebaseerd op een flexibel model van coördinatie, wat duidelijk doorspeelt in de hedendaagse dualisering.

De organisatorische sterkte van de Belgische vakbonden ligt in ons land heel hoog. Naast afspraken per sector, zoeken de Belgische werkgevers- en werknemersorganisaties altijd naar wettelijke oplossingen over de sectoren heen. De Groep van Tien is daar het meest prominente voorbeeld van. In Duitsland liggen de kaarten beduidend anders. Duitsland steunt van oudsher voornamelijk op haar sterke metaal- en auto-industrie, waardoor die sector niet alleen het paradepaardje van de Duitse economie is maar ook de industriële relaties domineert. De onderhandelingen zijn daarom minder gebonden per sector en minder strikt: de coördinatie is flexibeler. De voornaamste reden daarvoor is de angst om de competitiviteit van de vitale metaalsector in het gevaar te brengen. Het is in die context dat de opgevoerde druk van globalisering sinds de jaren 1980 en de expansie van de dienstensector in rekening gebracht moeten worden.

In België kwam de werkzekerheid zeker in de jaren 1970 en 1980 onder druk te staan en begon de werkloosheid te stijgen, gepaard met een groeiend aantal interim-jobs. Ondanks het feit dat de tendens tot dualisering ook in België bestond, is de arbeidsmarkt niet structureel gesplitst zoals in Duitsland en daar speelt de institutionele verankering van het collectieve overleg een cruciale rol in. De wet van 1968 op de collectieve legislatie van werk zorgde er immers voor dat de rechten van werknemers met tijdelijke statuten in de periferie ook mee op de onderhandelingstafel lagen bij interprofessioneel overleg.9 Belgische vakbonden hebben over de sectoren heen van meet af aan gestreden voor een wettelijk kader rond tijdelijke arbeidscontracten dat de rechten van die groep werknemers waarborgt. De wederzijdse erkenning tussen werkgevers en vakbonden maakte dat door de wet van 1968 ook mogelijk. Toen de Belgische arbeidsmarkt onder druk kwam te staan heeft België dus vastgehouden aan het gecentraliseerde corporatisme dat de Belgische arbeidsmarkt kenmerkt en is de mogelijkheid tot collectief overleg en gemeenschappelijke afspraken vrij stabiel gebleven.10 Interim-arbeid, een noodzakelijk kwaad? Misschien, maar door te anticiperen aan de onderhandelingstafel hebben de vakbonden duidelijk een rol gespeeld in het voorkomen van een structurele dualisering van de Belgische arbeidsmarkt, nog lang voor er sprake was van het Duitse model.

In tegenstelling tot België, heeft Duitsland vanaf de jaren 1980 een andere aanpak gehanteerd. De grootste bekommernis van de Duitse arbeidsmarkt was om de competitiviteit van de metaalsector te behoeden voor druk van buitenaf, ten voordele van de werkgevers, en tegelijk een deregulering van de sector te vermijden, ten gunste van de werknemers. In een arbeidsmarkt waarin het professionele overleg niet gecentraliseerd is en dus meer per sector gebeurd, ontstaan er op die manier zogenaamde cross-class coalitions: groepen uit verschillende klassen die onderling allianties smeden om de eigen rechten binnen de sector te beschermen. De werkgevers beschermden de competitiviteit van de metaalsector door de batterij van tijdelijke arbeid niet mee te nemen in de sectorale afspraken en voorwaarden in andere sectoren niet aan de eigen afspraken te koppelen. De arbeiders van de metaalsector werden vaak vroeg op pensioen gestuurd en de metaalvakbonden kozen dan weer voor de eigen werkzekerheid door loonafspraken en arbeidsvoorwaarden van tijdelijke arbeid en andere sectoren zo flexibel mogelijk te houden. De focus bij de metaalsector lag dus niet op de verbetering van de eigen productiviteit, maar kwam op de flexibiliteit van anderen te liggen. Een concreet voorbeeld van die strijd is het feit dat afspraken over een nationaal minimumloon decennia mee werden tegengewerkt door de vakbonden uit de (West-)Duitse metaalsector. Ook daar hebben de sociale breuklijnen een communautair tintje.

Onder druk van de de-industrialisatie werd het bestaand model van de Duitse arbeidsmarkt versterkt, maar werd de periferie volledig gedereguleerd – nota bene de sectoren waarin tegenwoordig gestuwd door de digitalisering de meeste jobs ontstaan.11 Dat verklaart ook waarom de institutionalisering van die opdeling 20 jaar later mogelijk werd met de Hartz-hervormingen. De toenmalige vakbonden zijn er in de jaren 1980 en 1990 niet in geslaagd om collectief te reageren op de druk van buitenaf en die opsplitsing is doorgesijpeld in de werking van overlegorganen en de resultaten die ze boekten.12 Het is dus fair om te zeggen dat de primaire reflex om de eigen sector te verdedigen een verregaande deregulering van de metaalindustrie vermeden heeft, maar tegelijk wel de dualisering van de arbeidsmarkt in de hand heeft gewerkt, met de verdere verzwakking van de industriële relaties en een exponentieel gegroeide groep van werkende armen in het begin van de 21e eeuw als gevolg.13

WAARSCHUWING VOOR DE TOEKOMST

De sterkte van de vakbonden hangt af van hun institutionele inbedding. Omdat de Duitse arbeidersvertegenwoordiging nooit collectief georganiseerd was, was het moeilijk voor de individuele sectoren om samen te werken toen ze collectief onder druk kwamen te staan. Maatregelen die voor de ene sector garanties boden, konden schadelijk zijn voor de andere. De druk van de globalisering nam veel onderhandelingskracht weg van de werknemersorganisaties in Duitsland, waardoor er vaak voor het eigen behoud gekozen werd. Als sociale zekerheid niet overkoepelend wordt opgebouwd, maar afhangt van de eigen tewerkstelling, dan wordt decentralisatie nog meer versterkt. Dat moet een waarschuwing zijn voor de toekomst, zeker in een land als België waar de communautaire en sociale breuklijnen soms verstrengeld lijken te zijn. In die zin is het geen toeval dat rechts-nationalistische partijen op tijd en stond de aanval inzetten op het middenveld en de instituties die het sociale weefsel van dit land uitmaken.

In België is de organisatorische sterkte van de werknemersorganisaties op dit moment heel hoog. Er is een sterke vakbondsafvaardiging op alle niveaus, sociale zekerheid wordt inclusief geregeld en onderhandelingen gebeuren sectoraal én collectief. De stabiele syndicalisatiegraad is illustratief voor de sterke organisatie in de Belgische arbeidsmarkt, terwijl de vakbonden in Duitsland sinds de jaren 1990 onafgebroken leden verliezen. Het is dan ook maar de vraag of de vakbonden van de Duitse metaalindustrie vandaag beter af zijn dan in een scenario waarin ze de dualisering collectief te lijf waren gegaan, zeker nu de Chinees-Amerikaanse handelsoorlog om de hoek loert. Het Belgische voorbeeld toont dat een gemeenschappelijk sociaal pact voor een menswaardig bestaan weldegelijk noodzakelijk is om de normalisering van werkende armen te voorkomen. Collectief overleg tussen werkgever en werknemer levert winst op voor de beide kampen, en een sterke organisatie van werknemers staat borg voor leven en werken in waardigheid. Als de nieuwe regeringen in ons land uit Duitsland één echte les mogen trekken is dat het Belgische model navolging verdient.

VOETNOTEN

  1. Marx, Karl (1867). 'Instruktionen für die Delegierten des Provisorischen Zentralrats zu den einzelnen Fragen'. The International Courier, 6-7, pp. 8-10.
  2. Pulignano, Valeria et al. (2015). 'Trade unions and labour market dualisation: a comparison of policies and attitudes towards agency and migrant workers in Germany and Belgium'. Work, employment and society 2015, Vol. 29(5), pp. 808-825.
  3. Bundesagentur für Arbeit(2018), Beschäftigungsstatistik: Geringfügige Beschäftigung.
  4. Dingeldey, Irene (2010). 'Agenda 2010: Dualisierung der Arbeitsmarktpolitik'. Aus Politik und Zeitgeschicht', 60 (48), pp. 18-25.
  5. Vrij vertaald: medezeggenschap.
  6. Palier, Bruno & Thelen, Kathleen (2010). 'Institutionalizing Dualism: Complementarities and Change in France and Germany'. Politics & Society, 38(1), pp. 119-148.
  7. Thelen, Kathleen (2012). 'Varieties of Capitalism: Trajectories of Liberalization and the New Politics of Social Solidarity'. Annual Review of Political Science,Volume 15, pp. 137-159.
  8. Nicaise, Ides (1993). 'Recht op arbeid voor allen. Blauwdruk voor een langetermijnbeleid tegen dualisering van de arbeidsmarkt'. De gids op maatschappelijk gebied, 84 (4), pp. 317-347.
  9. Pulignano et al. (2015), p. 813.
  10. Pulignano, Valeria et al. (2013). 'Veranderen arbeidsvoorwaarden en systemen van industriële relaties? België in comparatief Europees perspectief'. Centre for Sociological Research, pp. 1-36.
  11. Iversen, Torbe & Soskice, David (2011). 'Dualism and Political Coalitions: Inclusionary versus Exclusionary Reforms in an Age of Rising Inequality'. World Politics, pp. 1-24.
  12. Thelen (2012), p. 141.
  13. Palier & Thelen (2010), p. 120.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 7 (september), pagina 53 tot 57