Abonneer Log in

Waar blijft links in Nederland?

2021: VERKIEZINGSJAAR IN ONZE BUURLANDEN

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 1 (januari), pagina 62 tot 67

Steeds meer politici keren zich af van de neoliberale politiek die de afgelopen jaren in Nederland dominant was. De tijd dat de term ´marktwerking´ alleen al voldoende was om bijna elke Nederlandse politicus dolenthousiast te maken lijkt eindelijk voorbij. Maar wie denkt dat de linkse partijen daar garen bij spinnen komt bedrogen uit. Het gaat slecht met links in Nederland. En toch is er hoop. Al is het maar een beetje.

Een oplopend begrotingstekort, ooit een schrikbeeld, blijkt nu opeens geen enkel probleem.

Het is een versnipperd landschap, maar vooral ook een tamelijk rechts landschap.

Lilianne Ploumen is niet echt bekend in het land en dat is een enorme handicap.

'Het jaar 2020 zal de geschiedenisboeken ingaan als het einde van het neoliberalisme'.1
Er is geen uitspraak die beter het huidige politieke klimaat in Nederland typeert – niet alleen door de inhoud, maar zeker ook door de spreker. Met deze zin markeerde Hugo de Jonge, toen net gekozen als lijsttrekker2 van het christendemocratische CDA hoezeer zijn partij afstand neemt van het gedachtengoed van De Jonge's fameuze partijgenoot Ruud Lubbers.Want het was Lubbers die als premier drie kabinetten lang – twee met de liberalen van de VVD en één met de sociaaldemocraten van de PvdA – gold als de grote pleitbezorger van het neoliberalisme in Nederland, geïnspireerd door de conservatieve economische politiek van de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher.

Het CDA is niet de enige partij rechts van het midden die afstand neemt van begrippen als marktwerking, liberalisering en deregulering. Dat geldt zelfs voor de conservatief-liberale VVD. Zo staat in het VVD-verkiezingsprogramma3 dat de partij 'in de spiegel moet durven kijken', omdat er sprake is van 'onrechtvaardigheden die dwingen tot zelfreflectie', bijvoorbeeld omdat 'je er als werknemer jarenlang nauwelijks op vooruit bent gegaan, terwijl de top van het bedrijf ieder jaar een forse loonsverhoging krijgt'. En de VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Klaas Dijkhoff, zei in een talkshow4: 'Ik heb me nooit aangetrokken gevoeld tot het neoliberalisme, want neoliberalisme gaat er ten onrechte van uit dat het altijd beter is als de markt het doet.'

CORONACRISIS EN DE RUK NAAR LINKS

2020 is voor Nederland dus op twee manieren een bijzonder jaar. Ten eerste uiteraard door de coronacrisis, die het land zwaar heeft getroffen. Maar ook door deze kleine maar niet onbelangrijke 'ruk naar links' bij partijen rechts van het midden – althans een ruk naar meer overheidsregulering en minder marktwerking. Uiteraard hebben de twee ontwikkelingen elkaar beïnvloed. Zoals Hugo de Jonge zei: 'Corona heeft de tekortkomingen van het neoliberalisme aan het licht gebracht. Het heilige geloof in de markt bleek niet zaligmakend.' Ziekenhuizen bleken zo 'efficiënt' ingericht dat ze geen extra bedden over hadden voor ernstig door corona getroffenen. En de bevoegdheid van de overheid om de regie te nemen in zo'n grote crisis bleek door alle decentralisaties, privatiseringen en verzelfstandigingen van de afgelopen decennia behoorlijk beperkt. Oud-voorzitter van de Eerste Kamer, de PvdA'er Herman Tjeenk Willink, velde in het weekblad De Groene een vernietigend oordeel: 'Het onvermogen om in zes maanden een deugdelijk en eenvoudig toegankelijk stelsel van zowel testen als traceren en isoleren van de grond te krijgen, past in een patroon: concurrerende belangen en onduidelijke verantwoordelijkheden, geen gemeenschappelijk plan of centrale regie, een beleidsdepartement met beperkte inhoudelijke kennis en weinig zicht op de praktijk en zeer hoge transactiekosten.' Kortom: het patroon van een in decennia vakkundig uitgeklede overheid.

Het is dus niet voor niets dat de mainstream partijen, zelfs de conservatief-liberale VVD, afstand beginnen te nemen van de neoliberale ideologie van de jaren 1980 en 1990. De omslag is soms zelfs opvallend heftig – waar het woord ´bezuinigen´ decennialang centraal stond in elk regeerakkoord, van welke kleur dan ook, zijn nu opeens álle partijen bereid om miljarden uit te geven om de economische gevolgen van de coronacrisis te bestrijden. Een oplopend begrotingstekort, ooit een schrikbeeld, blijkt nu opeens geen enkel probleem.

Een oplopend begrotingstekort, ooit een schrikbeeld, blijkt nu opeens geen enkel probleem.

Uiteraard hebben deze ontwikkelingen ook gevolgen voor wat de kiezers belangrijk vinden. In januari 2020 zei premier Rutte (VVD) nog – en dat dacht iedereen ook wel – dat immigratie absoluut een speerpunt zou worden bij de volgende verkiezingen, maar dat thema is inmiddels geheel naar de achtergrond gedrongen. Gezondheidszorg – inclusief loonsverhoging voor zorgpersoneel – blijkt voor de kiezers nu het allerbelangrijkste thema5, gevolgd door werkgelegenheid. Ook dat heeft direct met de coronacrisis te maken: de door corona bedreigde economie zorgt uiteraard voor oplopende werkloosheid6 en de angst je baan te verliezen.

HET EINDE VAN DE GROTE PARTIJEN

Sinds oktober 2017 – en tot de val van het kabinet op 15 januari van dit jaar – werd Nederland geregeerd door een kabinet dat bestond uit de VVD, het christendemocratische CDA, de progressief-liberale democraten van D66 en de meer orthodox-christelijke (maar sociaaleconomisch vaak progressieve) ChristenUnie (CU). Een bijzondere combinatie, al was het maar omdat de ChristenUnie en D66 op ethisch gebied veelal lijnrecht tegenover elkaar staan. Maar de realiteit is dat het Nederlandse politieke landschap sinds decennia zo versnipperd is, dat een combinatie van twee of zelfs drie partijen geen meerderheid meer kan halen in onze 150 zetels tellende Tweede Kamer. De VVD, de grootste partij, bezet op dit moment 33 zetels en de andere regeringspartijen CDA en D66 ieder 19 zetels – en dus waren de 5 zetels van de CU nodig om tot een meerderheid te komen. Even ter vergelijking: tussen 1945 en midden jaren 1990 bezetten de christendemocraten (omgerekend) alleen al tussen de 50 en 60 zetels.

Het is een versnipperd landschap, maar vooral ook een tamelijk rechts landschap.

Een versnipperd landschap dus, maar vooral ook een tamelijk rechts landschap. De traditioneel meest conservatieve regeringspartij VVD – in het verleden niet meer dan een middelgrote partij – is onder partijleider en minister-president Mark Rutte nu al tien jaar de grootste. Daarna volgt al lange tijd de populistische anti-islampartij PVV (Partij voor de Vrijheid) van Geert Wilders – nu met 20 zetels in de Kamer. Ook heeft zich een nieuwe uiterst rechtse partij aangediend, Forum voor Democratie van Thierry Baudet. Nu nog met 2 zetels in de Tweede Kamer, maar bij de laatste provinciale verkiezingen was deze partij in één klap de grootste – waarbij wel moet worden opgemerkt dat de partij inmiddels aan chaos en interne ruzies ten onder lijkt te gaan. Toch is de situatie zo dat VVD, CDA, PVV en FvD nu 74 zetels hebben, waarbij de zetels van een ouderenpartij en de streng christelijke SGP zeker kunnen worden opgeteld – en dan is er een duidelijke rechtse meerderheid. In de peilingen van eind november stonden deze partijen samen zelfs op 91 zetels (bijna twee derde van het totaal).

WAAR BLIJFT LINKS?

De vraag is hoe dat er na maart 2021 uit zal zien. Maar wie hoopt op een opleving van links moet wel een rasoptimist zijn. Hoe staat er voor met links? De realiteit gebiedt te zeggen: niet erg hoopgevend.

Op de uiterste linkerflank verkeert de Socialistische Partij – te vergelijken met de Vlaamse PVDA – in een broederstrijd. Na decennia van oppositie vindt de partijleiding dat het tijd wordt om te gaan regeren – de partij bestuurt inmiddels ook al mee in provincies en steden. Maar een meer orthodoxe vleugel, verzameld onder de naam Communistisch Platform, voelt daar niets voor: regeren is immers concessies doen. De jongerenorganisatie Rood sloot zich bij het Communistisch Platform aan, waarna de partijleiding alle 'communisten' royeerde en de geldstroom naar de eigen jongerenorganisatie afsloot.

GroenLinks, een partij die al jaren héél graag wil gaan regeren, slaagt er maar niet in om meer zetels te behalen dan zo´n 15. Hoezeer partijleider Jesse Klaver ook van de ene fabriekshal naar de andere bedrijfskantine sjouwt om zijn progressieve boodschap te verkondigen, in de ogen van de meeste kiezers blijft het een partij die zich meer zorgen maakt om genderneutrale toiletten en het klimaat dan om de sociaaleconomische omstandigheden van de laagstbetaalden. Ze staan, althans volgens de peilingen in december, op 13 zetels en dat is al maanden zo.

En dan ten slotte het grote zorgenkind, de sociaaldemocraten van de PvdA. Ooit de grootste partij van Nederland met rond de 50 zetels. Na de gigantische nederlaag van vier jaar geleden zijn daar 9 van over gebleven. In de peilingen staat de partij op zo'n 4 zetels winst, maar dat is wel erg weinig voor een partij die al vier jaar stevig oppositie voert tegen een niet al te populair kabinet. Wat is daar aan de hand?

Ooit was de PvdA de stabiele grote partij op links, de partij die arbeiders en intellectuelen wist te verbinden op een progressieve politieke agenda. In de jaren 1970 leidde voorman Joop den Uyl het meest linkse kabinet dat Nederland ooit heeft gehad – en hij werd ervoor beloond met een klinkende verkiezingsoverwinning in 1977. Maar dat is inmiddels lang geleden. Sinds de jaren 1990 is de PvdA een partij geworden die uitstraalt dat ze regeren belangrijker vindt dan vasthouden aan haar idealen en ideologische uitgangspunten. In ons boek Dat hadden we nooit moeten doen beschrijven wij hoe de PvdA onder Wim Kok in drie achtereenvolgende kabinetten (waarvan twee met de vroegere aartsvijand VVD) zonder tegenstand binnen zijn partij een zuivere neoliberale agenda voerde. De afstraffing volgde in 2002, toen de partij 22 zetels verloor. Maar alsof er niets was geleerd, traden de sociaaldemocraten in 2013 opnieuw toe tot een kabinet met de VVD. Het kabinet-Rutte II voerde een zo mogelijk nog strenger neoliberaal beleid, waarna de PvdA in 2017 maar liefst 29 zetels verloor – de grootste nederlaag in de Nederlandse politieke geschiedenis.

GEBREK AAN VERTROUWEN

Die afstraffing door de kiezer is de erfenis die Lodewijk Asscher als een loden last op de schouders droeg. Want hij was in dat kabinet-Rutte II minister en vicepremier. Hij was er mede verantwoordelijk voor dat de arbeidsmarkt verder werd geliberaliseerd, waardoor nog meer mensen terechtkwamen in zeer kwetsbare ´flexibele´ banen, banen die de werknemer in een crisis als deze onvoldoende bescherming bieden. Dat sociale werkplaatsen, waar mensen met een beperking zinvol werk deden, in één klap werden afgeschaft. Dat er grootschalig werd bezuinigd op de zorg voor kwetsbare ouderen en problematische jongeren.

En dan spreken we nog niet over de kwestie van de kindertoeslagregeling, de regeling waarbij ouders een tegemoetkoming krijgen voor de kosten van kinderopvang. Ouders tegen wie de verdenking rees dat zij hiermee fraudeerden moesten in één keer alle ontvangen toeslagen over jaren terugbetalen – en dat liep soms op tot tienduizenden euro´s. Achteraf is gebleken dat die verdenking in zeer veel gevallen op niets was gebaseerd, behalve op het gegeven dat deze ouders (of de eigenaars van de kinderopvangorganisatie) vaak een niet-Nederlandse achternaam droegen. Verantwoordelijk minister was Lodewijk Asscher. In december is over dit schandaal een parlementair onderzoek afgerond, met een keihard oordeel over alle betrokkenen. Na enig nadenken en veel overleg heeft het zittende kabinet – voor een groot deel verantwoordelijk voor alle ellende – de politieke conclusies getrokken. Op 15 januari diende Rutte het ontslag in van zijn ministersploeg.

Lodenwijk Asscher had de dag ervoor zijn besluit al genomen: hij kondigde aan af te zien van het PvdA-lijsttrekkerschap. Hij had toen al uitvoerig zijn spijt en schaamte getoond, maar voor een groot deel van zijn achterban was dat niet genoeg. Zij vonden hem niet meer geloofwaardig; ruim een derde van de leden tekende een congresmotie waarin ze hem opriepen op te stappen. Het gevolg was dat de PvdA nu twee maanden voor de verkiezingen ontheemd achter bleef. Het verkiezingscongres dat op 14 januari was begonnen, werd verdaagd. Lilianne Ploumen moet nu als nieuwe lijsttrekker de PvdA uit het slop trekken, maar zij is niet echt bekend in het land en dat is zo vlak voor de verkiezingen een enorme handicap.

Lilianne Ploumen is niet echt bekend in het land en dat is een enorme handicap.

Het is de tragiek van Asscher. Meer dan gebruikelijk voor een politicus heeft hij zich deemoedig getoond, zijn spijt betuigd. Al eerder distantieerde hij zich in zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel7 van de uitwassen van het neoliberalisme. Maar bij de kiezer leidde dat niet tot het vertrouwen dat hun huidige leven met al zijn onzekerheden bij de PvdA in goede handen was.

Maar dat gebrek aan vertrouwen ligt natuurlijk niet alleen aan de persoon van Lodewijk Asscher. Het is een probleem dat Links in haar geheel teistert. De kiezers die gezien hun sociaaleconomische positie ongezien links zouden moeten stemmen, doen dat al jaren niet meer. Ze stemmen op populistische partijen die zeggen wat zij willen horen, maar nooit de regeringsverantwoordelijkheid willen of kunnen dragen om al die wensen ook uit te voeren. Of ze stemmen helemaal niet meer.

De onvrede onder de potentieel links-stemmende kiezers is groot. En daar is ook alle reden toe. Ambtelijke organisaties die onbegrijpelijke brieven sturen en die vervolgens nooit te bereiken zijn om je uit te leggen wat ze bedoelen. Linkse bestuurders die beslissingen nemen over jouw buurt, jouw dorp en jouw leven waarbij jou nooit iets wordt gevraagd. Milieumaatregelen die mooi klinken, maar die voor jou het leven alleen maar duurder maken. Asielzoekers die altijd bij jou in de wijk moeten worden opgevangen, nooit bij hen.

Het vertrouwen van deze mensen terugwinnen wordt een geweldige opgave voor Links. En het lijkt niet waarschijnlijk dat ze daar vóór maart in zullen slagen – zeker niet nu de PvdA knock-out geslagen in een hoek ligt. Onderzoeker Peter Kanne van I&O Research schrijft: 'Links moet zich echt achter de oren krabben. De verkiezingen van maart dreigen uitsluitend een strijd te worden tussen rechts, rechts en rechts: de VVD, het CDA en de PVV.'

GAAN WE DAN EINDELIJK SAMENWERKEN?

Zijn er dan helemaal geen lichtpuntjes te melden? Zeker wel. In de eerste plaats lijkt het erop dat de linkse partijen, in elk geval GroenLinks en PvdA, nu eindelijk kiezen voor een vorm van samenwerking. Daarover wordt al lang gediscussieerd maar er kwam nooit wat van. De vragende partij was altijd de partij waarmee het minder goed ging en de partij waarmee het wel goed ging wees de flirt dan nuffig af. De cynische werkelijkheid is dat nu het met iedereen slecht gaat, er eindelijk een vorm van samenwerking gloort. Nadat in maart het PvdA-congres de partijleiding al had opgeroepen tot intensievere samenwerking met GroenLinks (40% van de leden wilde zelfs een gezamenlijke lijst) zei Lodewijk Asscher in november bij de presentatie van het verkiezingsprogramma, dat hij niet meer gaat regeren zonder tenminste één linkse bondgenoot in het kabinet.8 Over de samenwerking van zijn partij met de VVD zei hij: 'We hebben onze lessen geleerd, dat waren best wel dure lessen.' Hij werd niet alleen bijgevallen door GroenLinks-leider Jesse Klaver, maar ook door SP-leider Lilian Marijnissen. Volgens onderzoeksbureau I&O Research zou zo´n gezamenlijke lijst van GroenLinks en PvdA zelfs op 40 zetels kunnen rekenen9– en dan begint het weer ergens op te lijken.

In de tweede plaats – we begonnen dit artikel er al mee – heeft Links inhoudelijk het tij mee. De ellende die alle marktwerking, privatisering en decentralisatie van het neoliberalisme heeft aangericht, is nu voor iedereen zo duidelijk zichtbaar dat de kiezer mogelijk de blik naar links zal richten om een radicaal andere koers te kiezen. Het is nog vroeg – de meeste mensen bepalen hun stem pas vlak voor de verkiezingen en de campagne is nog niet begonnen. Er is dus nog hoop voor Links. Maar veel is het niet.

VOETNOTEN

  1. Abel Herzberglezing van Hugo de Jonge, in Trouw, 13/9/2020.
  2. Inmiddels is Hugo de Jonge overigens geen lijsttrekker meer van het CDA. Naar eigen zeggen omdat hij die functie niet meer kon verenigen met zijn ministerschap van Volksgezondheid, maar in werkelijkheid omdat verschillende partijprominenten hem anoniem in de media waren afgevallen. Hij is opgevolgd door de, nu demissionaire, minister van Financiën, Wobke Hoekstra, die een wat behoudender imago heeft.
  3. Samen aan de slag. Nieuwe keuzes voor een nieuwe tijd, Verkiezingsprogramma VVD 2021-2025.
  4. Tv-programma Op1, d.d. 6/11/2020.
  5. Tv-programma EenVandaag , d.d. 5/9/2020.
  6. Coronacrisis leidt tot ongekende daling aantal banen (cbs.nl).
  7. Lodewijk Asscher, Opstaan in het Lloyd Hotel, Amsterdam, Podium, 2019.
  8. GroenLinks en PvdA: niet zonder elkaar in volgend kabinet | NOS](https://nos.nl/artikel/2355292-groenlinks-en-pvda-niet-zonder-elkaar-in-volgend-kabinet.html), 5/11/2019
  9. Animo voor fusies op links en rechts toegenomen - I&O Research](https://www.ioresearch.nl/actueel/animo-voor-fusies-op-links-en-rechts-toegenomen/).

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 1 (januari), pagina 62 tot 67

2021: VERKIEZINGSJAAR IN ONZE BUURLANDEN

Waar blijft links in Nederland?
Margriet Van Lith en Duco Hellema
Rood-groene toenadering in Frankrijk?
Frederik Dhondt
De gapende leegte na Merkel in Duitsland
Dieter Berckvens