Abonneer Log in

De diepe angst van een bedreigde soort

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 4 (april), pagina 18 tot 21

Wat ik niet begrijp, is dat hoogopgeleide types zelfs niet de moeite nemen om na te gaan wat er achter die onbeholpen boosheid van De Onfantsoenlijken schuilgaat: angst. De angst dat je geen plaats meer hebt in de wereld die je tot voor kort nog zo goed kende.

DE EXTREEMRECHTSE DREIGING

De diepe angst van een bedreigde soort
Jan Antonissen
In café Bonten Os
Simon Allemeersch
Eigen werknemer niet eerst
Bruno Verlaeckt en Vincent Scheltiens

Als het precariaat op onbeholpen wijze toch spreekt over zijn angst, wordt het weggezet als achterlijk en racistisch.

Begrip is de sleutel. Zo kan er weer verbinding ontstaan.

Natuurlijk was ik er niet gerust op.

Nadat Donald Trump de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten had gewonnen, wist ik al gauw dat ik een boek wilde schrijven waarom ook bij ons, in Europa, steeds meer mensen zich tot het populisme bekenden. Het had geen zin over het electoraat van de populisten, de zogenoemde Onfatsoenlijken, te zwijgen. Dan liet je het probleem maar verder etteren. We hadden intussen gezien waartoe al dat weldenkende zwijgen had geleid: een hondsbrutale, vrouwonvriendelijke, racistische ster van een realitysoap straalde nu hoog aan de Amerikaanse hemel. Dus ik dacht: ik schrijf gewoon dat boek over De Onfatsoenlijken.

Alleen, ik had geen zin te eindigen zoals de onlangs overleden Waalse documentairemaker Pascal Olivier. In 1994 bracht hij Marchienne de Vie uit, een film over het voormalige arbeidersbolwerk Marchienne-au-Pont, een gemeente onder de rook van Charleroi, waar de overblijvers van de ooit zo machtige staalindustrie zich verlaten en verraden voelden. Olivier, zelf uit de streek afkomstig, bracht verslag uit over het troosteloze leven van de verliezers van de globalisering zonder de zaken mooier voor te stellen dan ze waren: de tranche de vie van de cité ademde wanhoop en woede.

Olivier werd er zwaar op afgerekend. Na zijn documentaire gold hij als een man met dubieuze overtuigingen omdat hij het had aangedurfd de zegeningen van de multiculturele samenleving in vraag te stellen. Hij had als één van de eersten laten zien hoe, aan het begin van de jaren 1990, het volkshuis en de kerk werden verdrongen door de moskee. En hoe zich als gevolg daarvan langzaam maar zeker een sociologische transformatie voltrok waar de laatste oorspronkelijke bewoners – de sukkelaars die niet op tijd waren vertrokken – zich geen raad mee wisten.

Dat deze armoedige biotoop later één van de grootste misdadigers uit de Belgische geschiedenis zou voortbrengen, Marc Dutroux, deed er niet toe. Olivier had een taboe geschonden: hij had de botsing der beschavingen in beeld gebracht, inclusief het scherpe commentaar van de betrokkenen. Zijn linkse vrienden gaven hem voortaan het etiket van de regisseur die de weg voor extreemrechts had bereid. Dat heeft, volgens intimi, voor de rest van zijn dagen op Oliviers gemoed gewogen.

Voor mij was de vraag: kun je het over de oorzaken van het groeiende populisme hebben zonder in de ban te worden gedaan door de scherprechters van de politieke correctheid? Daarover heb ik, eerlijk is eerlijk, wakker gelegen. Ik vroeg me af of ik ook in het kamp-Olivier zou belanden. En of ik daar dan levenslang mijn kas wilde opvreten.

Ik heb het boek godzijdank toch geschreven.

HET PRECARIAAT ALS NIEUWE GEVAARLIJKE KLASSE

Het vreemde is dat je vanuit linkse hoek veel instemming krijgt wanneer je het populisme beschrijft als het logische uitvloeisel van de toenemende ongelijkheid in onze westerse wereld. Werknemers zijn inmiddels flexwerkers die zich volledig plooien naar de eisen van een bedrijf en zijn aandeelhouders, voor wie winstmaximalisatie voorop staat. Een werknemer die zijn hele leven lang bij hetzelfde bedrijf aan de slag is, is een rariteit. Zelfstandigen zonder personeel zijn het nieuwe normaal: de verdienmodellen van internetbedrijven Uber, Amazon en Deliveroo krijgen overal navolging. Een almaar grotere groep – uit de lagere maar ook uit de middenklasse – moet steeds harder werken voor steeds minder geld. En als hun productiviteit te wensen over laat, gaan ze eruit. Op bescherming van de vakbonden hoeven ze, als zelfstandigen, meestal niet te rekenen.

Het aantal mensen wier sociale positie onder druk staat, wordt schrikbarend groot. Guy Standing, professor Economie aan de universiteit van Londen, had het in 2010 al over 'het precariaat'. Hij noemde het 'een nieuwe gevaarlijke klasse' die de kiemen van een revolutie in zich droeg. Tegelijk werd de selecte club van miljonairs in het afgelopen decennium alleen maar groter.

Maar niet alleen de arbeidsverhoudingen zijn grondig gewijzigd, ook de leefomstandigheden. Veel vertegenwoordigers van het precariaat voelen de grond onder hun voeten trillen. Alles is tijdelijk, er hangt voortdurend verandering in de lucht.

Ze zijn bang voor de nieuwe technologie waarvoor ze te weinig zijn opgeleid. Ze zijn ook bang voor de nieuwkomers in de samenleving, de asielzoekers en de vluchtelingen, die hun plaats dreigen in te nemen. Misschien hebben zij de skills wel? In elk geval: ze zijn jonger, ze zijn goedkoper en ze hebben veel meer van de wereld gezien.

De vertegenwoordigers van het precariaat voelen zich een bedreigde soort. Maar over hun diepe angst moeten ze zwijgen. Als ze er op onbeholpen wijze toch over spreken, worden ze weggezet als achterlijk en racistisch.

Als het precariaat op onbeholpen wijze toch spreekt over zijn angst, wordt het weggezet als achterlijk en racistisch.

In dat verband staat me nog een gesprek voor de geest met Paula Hertogen, de moeder van PVDA/PTB-voorzitter Raoul Hedebouw. In het volkshuis van Herstal helpt mevrouw Hertogen, een levenslange revolutionair, mensen die in de doolhof van de Belgische administratie de weg zijn kwijtgeraakt. De meeste energie, zei ze, stak ze in het weerleggen van argumenten dat 'onze mensen' worden achtergesteld tegenover 'de vreemdelingen'. Hoe vaak moest ze niet de klacht aanhoren dat vreemdelingen sneller recht hebben op een sociale woning. Hertogen legde dan telkens geduldig uit dat zoiets op objectieve gronden gebeurt: buitenlanders hebben doorgaans een lager inkomen, ze hebben meer kinderen of een kind met een handicap. 'Maar dat begrijpen onze mensen heel moeilijk. Dat leidt tot boosheid en racisme.'

Deze boosheid, die óók een verklaring biedt voor de spectaculaire groei van het populisme, is moeilijk te verteren voor links. Begrijpelijk: de boosheid uit zich doorgaans in racistisch taalgebruik, dat zich tegen een minderheidsgroep richt. Dat kan natuurlijk niet. Daar is in een rechtsstaat ook geen plaats voor. Maar wat ik niet begrijp, is dat hoogopgeleide types zelfs niet de moeite nemen om na te gaan wat er achter die onbeholpen boosheid schuilgaat: angst. De angst dat je geen plaats meer hebt in de wereld die je tot voor kort nog zo goed kende.

MAAR ER IS HOOP

Tijdens een panelgesprek in het Gentse kunstencentrum Vooruit ging ik in gesprek met minister van Staat, Jos Geysels (Groen), de bedenker van het cordon sanitaire aan het begin van de jaren 1990. Hij bracht het idee aan dat democratische politieke partijen onder geen beding kunnen samenwerken met het racistische Vlaams Blok (Vlaams Belang). Dertig jaar later wankelt het cordon sanitaire, maar het staat nog altijd overeind.

Geysels had het in de Vooruit over zijn bejaarde ouders, die hun leven lang in de Noorderkempen hadden doorgebracht. Het was hun plek op deze wereld: daar, en nergens anders, hoorden ze thuis. Dat had Geysels aan het denken gezet. De meeste mensen willen ergens bijhoren, zei hij. In de Duitse literatuur had hij daar zelfs een adequate term voor gevonden: Heimat. 'Mensen hebben behoefte aan een Heimat.'

Ik viel bijna van mijn stoel. Geysels was wel de laatste van wie ik had verwacht dat hij, met behulp van Duitse terminologie, de noodzaak van menselijke verankering zou bepleiten. Hij had het niet over identiteit, die term is in politiek opzicht te beladen, maar hij bedoelde het wel. Er is niets mis met mensen die hun identiteit ontlenen aan de grond en de traditie waarin ze zijn opgegroeid. Niet iedereen is gemaakt om, als hoogopgeleide wereldburger, een rol te spelen in onze mobiele kenniseconomie. Het hoeft niet fout te zijn dat je blijft waar je bent. Daar is ook niets racistisch aan, zolang je maar de ruimte laat voor nieuwe mensen en nieuwe impulsen.

Misschien is het voor veel mensen ook gewoon te ingewikkeld. Laatst maakte de Koning Boudewijnstichting bekend dat uit onderzoek was gebleken dat drie miljoen Belgen in de digitale kloof dreigen te vallen. Drie miljoen! Zoveel mensen sukkelen met een bankpasje of een overschrijving via het internet. Het lijkt me onze verdomde plicht om die mensen bij de samenleving te houden. Anders drijven we ze recht in de armen van de populisten.

ÉÉN LANGGEREKTE OEFENING IN EMPATHIE

Zowel het boek als de televisiereeks over De Onfatsoenlijken was één langgerekte oefening in empathie. We wilden lezers en kijkers ertoe brengen begrip op te brengen voor de rauwe levensverhalen van Europeanen die om de een of andere reden hadden afgehaakt. Begrip is de sleutel. Als rechts begrip opbrengt voor de toenemende ongelijkheid, kan links dat doen voor het belang van identiteit. Zo kan er weer verbinding ontstaan en kunnen we eindelijk onze op sociale media opgetimmerde kampen van het grote gelijk verlaten. Wie doof blijft voor argumenten van de andere kant, speelt populisten in de kaart. Populisten doen namelijk niet aan argumenten.

Begrip is de sleutel. Zo kan er weer verbinding ontstaan.

Op de tv-redactie van De Onfatsoenlijken hadden we, als toetssteen voor onze research, het ideale profiel van onze interviewees uitgetekend. Mensen moesten boos zijn. Dat stond als een paal boven water: zonder boosheid geen populisme. Maar minstens even belangrijk: we moesten hun boosheid snappen. Wat niet hetzelfde was als ermee instemmen.

De beste verhalen waren halfslachtig: je begreep de boosheid van mensen, maar je zag hen tegelijk ook ontsporen. Hun levensverhaal moest de kijker aan het denken zetten: hoe was het in hemelsnamen zo ver kunnen komen?

Zo was er het verhaal van de Fransman Patrick Jardin. Jardin was opgegroeid in een migrantenwijk in Rijsel. Hij had er veel vrienden gehad, van Franse en Arabische oorsprong – hij maakte geen onderscheid. Pas later, toen hij een gefortuneerde autoverkoper was, kreeg hij een afkeer van wat hij 'de politieke islam' noemde. Maar het enige werkelijk racistische incident in zijn leven had zich op een voetbalveld afgespeeld. Een tegenstander had hem voor klootzak gescholden, en hij had 'm van de weeromstuit 'neger' genoemd. Gevolg: zes weken schorsing en 1.500 euro boete. 'Ik heb die nooit betaald.'

Jardin verloor zijn dochter in de Bataclan. Op de gedoemde avond van vrijdag 13 november 2015 vertoefde ze in het café van de Parijse concertzaal toen ze geweerschoten hoorde weerklinken. Ze is de zaal ingelopen om kameraden te redden, maar ze is niet meer teruggekeerd.

Jardin heeft het zichzelf nooit vergeven dat hij die avond een afspraak met zijn dochter had afgebeld. Hij moest werken. Zo ging dat nu eenmaal met hem: hij moest altijd werken. Het was de enige manier waarop hij de dood van zijn vrouw een plaats kon geven. 'Maar als ik niet werk,' zei hij, 'is mijn dochter er nu nog.'

Jardin is ervan overtuigd dat op 13 november 2015 niet drie maar vier terroristen in de Bataclan waren. De Franse overheid zou de aanwezigheid van een vierde schutter verzwijgen, zoals ze ook verzwijgt waarom ze niet meteen heeft ingegrepen. In zijn hoofd is het één groot complot.

Vijf jaar later houden Franse veiligheidsdiensten Jardin permanent in de gaten. Zijn telefoongesprekken worden getapt, zijn bezoeken gemonitord: men acht hem in staat een aanslag te plegen. Jardin betaalt ook nog altijd het telefoonabonnement van zijn dochter, 'om haar stem te kunnen horen'.

Uiteindelijk hebben wij het verhaal van Jardin niet gebracht in 'De Onfatsoenlijken'. Te extreem. Er was ook te veel haat in zijn discours geslopen.

Niet iedereen hoeft als Pascal Olivier te eindigen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 4 (april), pagina 18 tot 21