Log in

De verkiezingen van het onbehagen

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 24

Een ontrafeling van hoe Vlaams Belang op 26 mei in staat was om heel wat machteloze frustratie van verwaarloosde en miskende burgers een stem te geven.

RECHTSE REVOLTE

De verkiezingen van het onbehagen
Koen Abts
Vlaanderen Trumpland
Eric Corijn
Tegen het globale tribalisme
Arne De Winde

Het populistisch appel heeft de wind in de zeilen. In de Verenigde Staten kreeg het terug voet aan de grond, terwijl het appel aan 'wij, het volk' in West-Europa al langer electoraal lonend blijkt te zijn. Ook de recente wederopstanding van Vlaams Belang belichaamt de veerkracht van het populisme. De vraag blijft echter hoe de aantrekkingskracht van populisme te begrijpen valt: wat is nu juist de maatschappelijke voedingsbodem van het populisme?; wie zijn die zogenaamde 'verliezers' en 'achterblijvers'?; wat houdt dit onbehagen juist in?; en hoe wordt dit onbehagen dan omgezet in een afkeer van vreemdelingen en politiek, dan wel een stem op populistische partijen?

In dit essay – dat voortborduurt op bevindingen uit eigen onderzoek alsook het boek Ongehoord populisme. Gesprekken met Vlaams Belang-kiezers over stad, migranten, welvaartsstaat, integratie en politiek (Kochuyt & Abts, 2017) – formuleer ik drie stellingen. Ten eerste valt het maatschappelijke onbehagen en het populistische succes niet zomaar te verklaren aan de hand van (economische of migratie) crisissen, maar is het structureel verbonden met de overgang van een georganiseerde moderniteit naar een vloeibare moderniteit. Ten tweede slaat het maatschappelijke onbehagen niet zomaar op angst of woede, maar kan het best worden begrepen als een combinatie van gevoelens van onzekerheid, relatieve deprivatie en machteloosheid. Hierbij wordt duidelijk dat er zowel bij segmenten van de arbeidersklasse als middenklasse heel wat onbehagen (kan) groeien, wat impliceert dat het zich niet beperkt tot de zogenaamde 'left behind' of de verliezers van de modernisering. Ten derde ligt het succes van het populisme er net in dat het heel diverse vormen van onbehagen kan kapitaliseren en heel verschillende subgroepen van kiezers kan aanspreken door een appel te doen op 'wij, het homogene volk' als mobiliserende identiteit. Het is net deze lege betekenaar – die als een kameleon van kleur en inhoud kan veranderen – die heel krachtig de culturele eigenheid, de collectieve belangen en de politieke macht van 'onze mensen' aanwezig stelt.

DE MORELE RUIMTE VAN VRIENDEN EN VIJANDEN

In essentie verwijst populisme naar een dunne ideologie die de absolute soevereiniteit van het homogene volk bepleit. Populisme gaat ervan uit dat het volk één en ondeelbaar is, dat de macht alleen aan het volk toekomt en dat de volkswil uitsluitend en rechtstreeks door een leider belichaamd kan worden. Populisten menen in naam van het gewone volk te spreken, waarbij ze tegelijkertijd de samenleving opdelen in een ruimte van vrienden en vijanden: aan de ene kant het moreel goede volk, aan de andere kant de verwerpelijke volksvijanden. Hierbij wordt het volk op een antagonistische manier naar boven afgezet tegen de volksvreemde elite en naar onderen toe tegenover de afwijkende Andere die de eigenheid, belangen en macht van het volk bedreigen. Wanneer de Andere verwijst naar vreemdelingen die niet tot de gemeenschap behoort, gaat het om etnopopulisme. De aanname is dan ook dat het etnopopulistische wereldbeeld een politiek cynisme combineert met uitgesproken antimigratiedenkbeelden – namelijk een minachting tegenover politiek en vreemdelingen in combinatie met een sterke identificatie met het eigen volk.

ALL THAT IS SOLID MELTS INTO AIR

De opkomst en de aantrekkingskracht van het populistische denken is nauw verbonden met de crisis van de georganiseerde moderniteit. Deze georganiseerde moderniteit – die een hoogtepunt kende tussen 1945 en 1975 – wordt vaak beschreven als een periode van relatieve zekerheid, stabiliteit en vooruitgang. Enerzijds werd economische groei immers gekoppeld aan de uitbouw van een sociale welvaartsstaat, resulterend in een sterk vooruitgangsgeloof. Anderzijds werd de georganiseerde moderniteit gekenmerkt door krachtige wij-identiteiten op basis van religie en sociale klasse die niet alleen mensen een duidelijke plaats gaven in de samenleving, maar ook resulteerden in duidelijke sociale scheidslijnen en een relatief stabiele achterban voor de traditionele politieke partijen. In meer sociologische termen was de georganiseerde moderniteit gestoeld op duidelijke externe grenzen en op een relatief stabiele interne structurering op basis van sterke collectieve identiteiten. In de lage landen zorgden de zuilen in de georganiseerde samenleving intern voor binding en samenhang. Dit deden ze door de structurele conflicten binnen een pacificatiedemocratie te integreren, resulterend in een soort van gewapende vrede – oftewel een relatief stabiele conflictstructuur op basis van nationaliteit, religie of klasse.

Vandaag zijn deze georganiseerde vormen van 'begrenzing' en 'structurering' echter almaar minder in staat om mensen te integreren en om maatschappelijke stabiliteit te garanderen. Processen van globalisering, Europeanisering, migratie en individualisering hebben de gehele structuur van de naoorlogse samenleving grondig door elkaar geschud. Het gevolg is dat de West-Europese samenlevingen – sinds half jaren 1970 – in een chronische staat van ingrijpende grensvervaging en de-structurering zijn beland. De traditionele mechanismen van demarcatie en integratie – zoals nationaliteit, sociale klasse of religie – werken almaar minder. De moderniteit wordt vloeibaar, wat resulteert in een opening van de gesloten praktijken en in nieuwe conflicten van 'demarcatie versus integratie' die politiek gemobiliseerd kunnen worden. In een context waar alles wat vast is vervluchtigt, roepen sommigen om een herstel. Meer bepaald om een bekrachtiging van de oude grenzen en structuren van de georganiseerde moderniteit, wat zich uit in een roep om een gesloten samenleving die terugplooit op het Eigene en afkeert van het Vreemde. Dit is de diagnose van populisme met haar klemtoon op particularisme en demarcatie. Anderen pleiten op hun beurt voor een meer open samenleving met nadruk op universalisme en op verdere culturele, economische en politieke integratie, resulterend in een kosmopolitisch dan wel Europees project.

SOCIAALECONOMISCHE, CULTURELE EN POLITIEKE ONVREDE

Het hedendaagse maatschappelijke onbehagen kan dan ook begrepen worden als een opeenstapeling van sociaaleconomische, culturele en politieke onvrede voortvloeiend uit de ontsluiting van de georganiseerde samenleving.

Ten eerste leiden processen van individualisering en globalisering tot een stijgende flexibilisering van de arbeid, tot een verder uit elkaar groeien van individuele en collectieve welvaart en tot het ter discussie stellen van de grenzen van de nationale solidariteit. Het gevolg is een sociaaleconomisch onbehagen, wat verwijst naar sociale kwetsbaarheid, economische onzekerheid en relatieve deprivatie. Bij de lagere klassen leeft het gevoel achtergelaten en verwaarloosd te zijn door het beleid en de vroegere beschermheren. Maar ook bij delen van de middenklasse leeft de indruk dat ze beter hun eisen naar beneden bijstellen of dat ze almaar harder moeten hollen om stil te staan. Wat beide groepen echter delen, is een dubbel gevoel van achterstelling: aan de ene kant moeten zijzelf steeds meer moeite doen, terwijl andere groepen onterecht alles voor niets krijgen; aan de andere kant waardeert het beleid te weinig hun legitieme groepsaanspraken en kijkt het te weinig naar hen om. Als gevolg van de verschuivende groepsposities groeit op deze manier in de ruimte der relatieve posities alzo een illegitiem tekort bij zowel lage als middenposities – ofschoon de referenties en hun grieven heel verschillend zijn. Toch vinden beide groepen elkaar wanneer het gaat om de collectieve belangen verbonden met de nationale welvaartsstaat. Wanneer het gaat om de eigendomsaanspraken is de steeds terugkerende vraag: wie heeft onder welke voorwaarden (nog) recht op (welke) vruchten van de collectieve welvaart? De discussie gaat hierbij vooral om de structurerende principes van sociale herverdeling: is het bijdrage, identiteit, behoefte of goed gedrag dat maakt dat iemand (nog) aanspraak kan maken op sociale zekerheid? Het collectief belang wordt al snel een groepsbelang dat met hand en tand verdedigd dient te worden.

Ten tweede zijn we op het culturele vlak getuige van een afnemende bindingskracht van de traditionele wij-identiteiten; een toename van culturele verschillen in de multi-etnische samenleving; en een toenemende nadruk op individualiteit wat leidt tot gevoelens van sociale desidentificatie en culturele onteigening. Hier gaat het om de kwestie of mensen zich nog thuis voelen in onze samenleving. Heel wat gevestigde groepen voelen immers dat de culturele hegemonie van de eigen normen, waarden en overtuigingen op losse schroeven staat. Het is het besef dat de gevestigde positie en cultuur van de ingezetenen niet langer vanzelfsprekend is.

Ten derde gaat dit vrijwel altijd samen met diepgewortelde politieke onvrede. Dit komt vooral voort uit de afnemende zeggingskracht van de traditionele ideologieën en de crisis van de grote verhalen, wat gepaard gaat met stijgende gevoelens van politieke verwaarlozing, onmacht en een gebrek aan perspectief. Meer fundamenteel gaat het echter om een crisis van de toekomst. Onder het mom van 'morgen zal het allemaal wel beter zijn' of 'onze kinderen zullen het zeker beter hebben', pacificeerde de uitbreidende welvaartsstaat en het vooruitgangsoptimisme gedurende lange tijd heel wat maatschappelijke onvrede. Wat je vandaag echter ziet is dat de toekomst hoe langer hoe minder verbonden wordt met orde, emancipatie en vooruitgang, en hoe langer hoe meer met wanorde, onzekerheid, dreiging, zelfs achteruitgang. Of hoe het vooruitgangsgeloof plaats maakt voor angst voor collectieve terugval en verlies. Bij delen van de lagere sociale klassen leeft de vrees dat de vreemdelingen over hen heen zullen springen; bij bepaalde middenklassers de angst dat men morgen bij het minste windje overboord kan slaan en dat bepaalde verworvenheden en statussymbolen (zoals de salariswagen) niet langer zeker zijn.

HET FAILLIET VAN DE TRADITIONELE EMANCIPATORISCHE IDENTITEITEN

Het maatschappelijk onbehagen verwijst echter niet alleen naar groeiende economische, culturele en politieke onvrede, maar meer fundamenteel ook naar de toenemende scheiding van collectieve belangen, identiteit en emancipatie. Waar het om gaat is dat hoe langer hoe minder sterke identiteiten zoals arbeidersklasse of geloofsgroep als totale identiteiten fungeren die in staat zijn om de sociale onvrede te integreren. Deze identiteiten slagen er niet meer in om individuen samen te brengen en te organiseren rond een centraal conflict of een emancipatorisch en toekomstgericht project in naam van het volk, de klasse of de vooruitgang. Het is juist dit tekort aan integrerende totale identiteiten, aan motiverende ideologieën en aan duidelijke symbolische identificaties in de huidige politiek die maken dat we vandaag kunnen spreken van een populistisch momentum. Populisten slagen er met hun appel aan het homogene volk als absolute soeverein immers wél in om de belangen, de waarden en de macht van het gewone volk terug voor te stellen en te verdedigen op de politieke scène.

Zeker in tijden van politieke desaffiliatie – waar kiezers zich niet meer herkennen in de verbeelde identiteiten en projecten van de traditionele partijen – bieden populistische partijen een schijnbaar houvast en een verleidelijk politiek alternatief omdat ze in hun vertoog net beloven de effectieve macht terug te geven aan het één en ondeelbare volk. In tijden van onzekerheid straalt het populistische fantasma van 'wij, het homogene volk' zekerheid uit: het biedt een nieuw toekomstperspectief, het geeft hoop op verandering, vernieuwing en verbetering. Om die reden is het huidige populisme geen vluchtig fenomeen, maar structureel verbonden met de teloorgang van de totaliserende identiteiten van de georganiseerde moderniteit.

DE IDEE-FIXE VAN DE 'LEFT BEHIND'

Het is zeker zo dat bepaalde groepen meer last hebben van de individualisering en globalisering, net zoals het onbehagen en het populistische denken sterker leeft bij bepaalde groepen, maar toch moeten we oppassen de aandacht louter op de 'verliezers', 'deplorables', 'left behind' of 'onfatsoenlijken' te richten. Meestal worden de verliezers van de modernisering als het kernelectoraat van populistische partijen gezien, terwijl het maatschappelijke onbehagen de voedingsbodem zou zijn. Heel wat analyses schenken echter weinig aandacht aan wie nu juist die verliezers zijn en wat dan wel de constituerende ervaringen van dit onbehagen zijn. In de literatuur wordt nogal snel scherp gesteld op de objectieve verliezers met absolute tekorten. Het zouden vooral mensen zijn met een tekort aan cultureel, economisch en sociaal kapitaal die moeite hebben met de huidige veranderingen omdat ze weinig onderhandelingsruimte en exit-mogelijkheden hebben in het sociale verkeer. Deze visie stelt dat vooral laaggeschoolden, arbeiders, lage inkomens en ouderen meer afkerig zijn van migranten en politiek, en meer ontvankelijk zijn voor het populistische appel.

De eerste kritiek op de objectieve verliezersthese is dat deze benadering te veel de aandacht toespitst op de lage posities en hun absolute deprivatie. Op deze wijze onderkent het echter te weinig het onmiskenbare belang van relatieve deprivatie – namelijk tekorten die mensen ervaren wanneer ze de positie van de eigen groep beginnen te vergelijken met de posities van andere groepen. Eigen empirisch onderzoek geeft aan dat vooral laaggeschoolden last hebben van machteloosheid en relatieve deprivatie. Meer dan wie ook hebben zij de indruk geen controle te hebben over hun eigen leven en voelen ze zich onterecht achtergesteld en onvoldoende gewaardeerd in vergelijking met andere groepen – meestal migranten, hooggeschoolden en politici. Bij hen leeft het gevoel van collectieve achterstelling en machteloze miskenning.

Maar tegelijkertijd blijkt dat er heel wat ongerustheid en bezorgdheid bij de middenklasse leeft. Zo is er een hele groep die niet zozeer vol verbitterd ressentiment zit, maar die wel heel onzeker en ongerust is over de toekomst van hun kinderen en de richting die de samenleving uitgaat. Wat opvalt is dat de meeste analyses weinig aandacht schenken aan het feit dat sociale veranderingen niet alleen winners en losers produceren, maar ook een grote tussengroep van bezorgde kwetsbaren – de zogenaamde swimmers. Deze laatsten vinden het almaar minder eenvoudig om hun sociale status te handhaven en zijn zeer bezorgd over hun eigen toekomst of toch die van hun kinderen. Hier groeit de relatieve deprivatie van de middenklasse, want ze ervaren niet zozeer een absoluut tekort, maar hebben wel de indruk dat hun sociale positie onder druk staat of alleszins niet vanzelfsprekend is en dat zij in vergelijking met anderen buitensporige inspanningen moeten leveren of te veel moeten bijdragen aan de collectieve welvaart. Of anders gezegd, andere groepen krijgen meer dan ze verdienen, of alvast met heel wat minder moeite. Dit illustreert alvast dat zowel verliezers, kwetsbaren als winnaars zich in de positionele ruimte om heel uiteenlopende redenen benadeeld, miskend en misnoegd kunnen voelen en daarom hun toevlucht kunnen zoeken tot het populistische appel die duidelijke zondebokken aanduidt – hetzij de migranten, de Walen, de undeserving poor, maar evengoed de vakbonden, de 'sossen' of de politiek.

TUSSEN WANHOOP, ZELFGENOEGZAAMHEID EN RUSTIGE VASTHEID

Om die reden heeft het weinig zin om de stem op Vlaams Belang op de boerenbuiten als onzinnig of onbegrijpelijk af te doen – 'ze hebben er nog geen migrant gezien'. Waar het om gaat is dat Vlaams Belang er in de laatste verkiezingen in geslaagd is om na de wanhoop van de oude stadswijken (jaren 1980 en 1990) en de zelfgenoegzaamheid van de suburbane gordel (jaren 2000) ook de eroderende 'rustige vastheid' van landelijk Vlaanderen (jaren 2020) te kapitaliseren.

De wanhoop van de oude stadwijken dat 'onze mensen' volledig onder de voet worden gelopen door de 'Andere' vermengt zich hier met de ongerustheid van de welvarende rand en de boerenbuiten die zich minder richt op het 'hier en nu', maar op 'daar en later' in de gedaante van de gevaarlijke stad, de besparende verzorgingsstaat, de afnemende koopkracht, de verhoogde pensioenleeftijd, de dreigende 'roodgroene belastingtsunami' en de onzekere toekomst. Deze vooruitblik wordt veelal gevoed door signaalfenomenen en partijgespin als krachtige verspreiders van bedreiging en angst. Zowel links als rechts waarschuwen voor de teloorgang van het land. In deze context vergelijkt het genoegzame heden en de rustige vastheid zich met de nakende gevaren die nabij zijn. De grote vrees is immers dat de rust en de eigen statuspositie – lees, de controle over de gevestigde groepsposities en machtsbalansen – in de toekomst zal verdwijnen. Wat de vreemdelingen betreft groeit er stapsgewijs een defensieve distantiëringsxenofobie die op de feiten vooruit loopt en zich preventief afzet tegen de mobiliteit van opklimmende vreemdelingen. Meer algemeen lijkt het er echter op dat heel wat radicale kiezers hun zuurverdiende droom en gevestigde groepspositie langzaam zien vervluchtigen en doordrongen zijn van het besef dat de toekomst niet langer vooruitgang in petto heeft én er heel wat op het spel staat. Onder de leuze van 'onze mensen eerst' dient er dan ook gevochten te worden – om een vrijwaring van de eigenheid van de eigen buurt/gemeente, om de groepsbelangen ingebed in de welvaartsstaat, om de soevereine macht die de richting van onze samenleving bepaalt. De veelgelaagde statusangst – die zich op alle sporten van de sociale ladder nestelt – maakt dat heel wat suburbane en rurale gevestigden zich beginnen te gedragen als belegerden, overtuigd als ze zijn dat hun gevestigde identiteit en status alsook de status quo van de gehele maatschappelijke orde verdedigd moet worden. In deze context is het dan ook van belang voldoende aandacht te hebben voor de alledaagse leefwereld van mensen en de wijze waarop zij de sociale veranderingen ervaren. Uit eigen onderzoek blijkt dat statusangst en relatieve deprivatie, in combinatie met gevoelens van sociale onrechtvaardigheid en machteloosheid, de aandrijfriemen te zijn van een verbitterde misnoegen dat uitermate productief is in het opbouwen van alternatieve waarden en het aanwijzen van zondebokken.

DE POLITIEK VAN SCHULD EN BOETE

De vraag blijft echter hoe onbehagen zich optrekt aan populisme. De genialiteit van het populisme is dat het de onvrede rechtstreeks projecteert op de schijnbaar éénduidige vijandige buitenwereld die de schuld/verantwoordelijkheid krijgt voor de huidige malaise en het sociale onrecht, namelijk het politieke establishment en de migranten. In het geval van populistisch radicaal-rechts vinden politiek cynisme, etnocentrisme en welvaartschauvinisme elkaar.

Ten eerste is er de minachting tegenover de gevestigde elites, gecombineerd met een appel aan het gewone volk. Het politieke establishment wordt verweten wereldvreemd en hypocriet te zijn; politici zouden zich louter richten op de waarden en belangen van de elite en de Andere, niet op de problemen van de gewone mensen.

Ten tweede staat in het cultureel nativisme het eigen volk centraal. Het stoelt op een autoritaire en traditionalistische visie op sociale orde gekenmerkt door weinig tolerantie voor afwijkend gedrag en individuele zelfbeschikking. Dit autoritair nativisme verheerlijkt de eigen verbeelde gemeenschap en streeft naar een gesloten samenleving met krachtige externe grenzen en interne regels.

Ten derde combineert het op sociaaleconomisch vlak een radicale kritiek op de feitelijke werking van de welvaartsstaat met een welvaartschauvinisme. Of deze vorm van 'gelijkheid en zorg voor onze mensen' als links kan worden geclassificeerd, valt ten zeerste te betwijfelen. In elk geval gaat het om een hoogst particularistische én moraliserende gelijkheid en uitsluitende solidariteit die het recht op sociale herverdeling en collectief verworven welvaart voorbehoudt voor het eigen volk, of tenminste vooor diegenen die bijgedragen hebben en zich goed gedragen. Alweer komt het aan 'onze mensen' toe om te bepalen wie erbij hoort, wie zich voldoende inzet en wie genoeg dankbaarheid betoont. Vlaams Belang is op dit vlak alvast duidelijk: de vreemdelingen, de undeserving poor en de Walen doppen best hun eigen boontjes.

Middels deze politieke, culturele en sociaaleconomische drietrapsraket is populistisch radicaal-rechts dan ook in staat om heel wat machteloze frustratie van verwaarloosde en miskende burgers terug een stem te geven. Enerzijds door het miskende volk met 'gezond verstand' als absolute soeverein centraal te plaatsen. Anderzijds door het eigen volk te positioneren tegenover twee antagonisten, namelijk het politieke establishment aan de bovenkant en de vreemdelingen aan de onderkant. Beiden worden gezien als schuldig voor de huidige problemen.

DE ONMACHT VAN EEN VERONGELIJKTE GASTHEER

Ook hier weer moeten we er echter over waken de aandacht uitsluitend te richten op de meest radicale posities. Zo behoort slechts een kleine groep van Vlaams Belang-kiezers tot de etnisch-populistische diehards die een cynische minachting ten aanzien van de politiek koppelt aan een radicaal autoritaire en etnocentrische visie evenals een strikt welvaartschauvinisme. Het zijn die kiezers die de politiek als één pot nat ziet, als een bende zakkenvullers en die het liefst van al heel wat vreemdelingen gewoon terug zou willen sturen omdat hun cultuur niet verenigbaar is met die van 'onze mensen' en omdat ze toch alleen maar 'onze welvaart' braderen. En als dit toch niet zou gaan, pleiten ze er voor om de toekenning van culturele, sociaaleconomische en politieke rechten te laten berusten op formele en klare in- en uitsluitingsgronden gebaseerd op etnische afkomst.

Een veel grotere groep van Vlaams Belang-kiezers kan daarentegen beter omschreven worden als traditionalistische sceptici. Ze minachten het politieke bedrijf niet, maar zijn heel argwanend omdat de gevestigde partijen aan hun zorgen en grieven toch geen hoofd kunnen bieden. Net zo min zien ze de vreemdelingen als onverenigbare Anderen, maar zijn ze wel heel sceptisch over de multiculturele samenleving. In hun ogen oefenen vreemdelingen een buitensporige druk uit op de publieke orde en op de welvaartsstaat.

Vooreerst zijn deze kiezers ervan overtuigd dat de vreemden onvoldoende moeite doen om zich aan te passen aan 'onze normen en waarden'. De roep om integratie verglijdt al snel in een plicht tot assimilatie. In feite is de klacht dat de vreemdelingen zich niet langer gedragen als ondergeschikte en gehoorzame gasten die zich zonder morren schikken naar de regels van de gastheer die bovenal (alleen) meester wil blijven over eigen huis en land. In de hoofden van heel wat Vlaams Belang-kiezers ontbreekt het vreemden aan respect en dankbaarheid. Meer nog, ze doen alsof ze hier thuis zijn en zetten daarmee de gastheer-gast figuratie op haar kop: 'ze voelen zich hier precies meer thuis dan onze mensen'. In dit machtsconflict leeft vooral het gevoel dat 'onze mensen' de controle over de situatie en de ondergeschikte Andere verliezen, en dat de (vreemde) gast 'baas is in eigen land'.

Daarnaast leeft bij heel wat misnoegde kiezers de indruk dat de vreemden en undeserving poor disproportioneel wegen op onze sociale zekerheid. Al snel volgt de stap naar een soort welvaartspopulisme dat ervan uitgaat dat 'onze mensen' – de gewone, hardwerkende belastingbetalers – belazerd worden door onproductieve profiteurs die tal van voordelen en privileges genieten die ze eigenlijk niet verdienen omdat ze niet tot het volk behoren, omdat ze onvoldoende bijdragen tot onze welvaart of omdat ze te weinig eigen verantwoordelijkheid dan wel dankbaarheid aan de dag leggen. De gemeenschappelijke morele klacht is dat het de Andere ontbeert aan deugden: het zijn geen 'goede' of 'actieve' burgers die zich houden aan de normen van de gastheersamenleving.

Het eindstation van de populistische kritiek is echter dat de politiek dit zomaar laat gebeuren – zelfs bewust mogelijk maakt. Het ontneemt de macht van 'onze mensen' die het anders willen. De sceptische autoritarisme wil niet langer het elitarisme en een consensuele politiek van compromissen, maar één van krachtdadige beslissingen die de wil van het volk terug centraal stelt: 'onze mensen eerst'. Kenmerkend voor dit nieuwe realisme is de roep om een 'politiek van oprechtheid en daadkracht' die appelleert aan onpartijdigheid en oprechte waarheid, die wars van alle taboes de echte problemen niet langer uit de weg gaat, die de zaken eens bij naam te noemt en nu eens serieus luistert naar de stem van 'onze gewone mensen'. Alsof hun probleemdiagnoses opeens de oplossing helder zal stellen. Wat hun aanklacht echter wel duidelijk maakt, is dat ze politieke verandering – wat dit ook moge betekenen – willen. Dat het 'echt anders moet' is het signaal dat de misnoegde kiezers aan de gevestigde politiek geven – in die zin is hun stem op een radicale partij dan ook het meest effectief.

POPULISME ALS FANTASMATISCHE BEVREDIGING

Onbehagen gaat moeilijk samen met culturele tolerantie of politiek vertrouwen. Wat echter opvalt is dat niet zozeer sociale desoriëntatie of economische onzekerheid van belang is, maar wel dat relatieve deprivatie, machteloosheid en toekomstpessimisme de voornaamste aandrijfriemen zijn van het populisme. De verschuivende groepsposities, eigendomsaanspraken en machtsevenwichten tussen de 'bovengeschikte wij' en de 'ondergeschikte zij' ondergraven stelselmatig de gastheerstatus van de gevestigden, wat leidt tot heel wat gevoelens van benadeling, onrechtvaardigheid en onmacht. In vloeibare tijden van 'gedesillusioneerd individualisme' waar de oude identiteiten niet langer trots en macht bieden, wordt al snel teruggegrepen naar de populistische bijstelling die 'onze mensen' of 'het eigen volk' terug eerst stelt: het eigen volk moet de macht terug volledig in handen krijgen zodat het terug voor zichzelf kan zorgen. In dit populistische fantasma worden de miskende laatsten opeens de machtige eersten. Wat populistische kiezers in feite roepen is dat ze misschien geen macht hebben, maar wel het gezond verstand dat durft zeggen waar het op staat. En dat lucht op.

Afsluitend, de crisis van de georganiseerde politieke identiteiten en de opgang van het populisme hebben het gehele politieke systeem grondig gewijzigd. Aan de ene kant evolueren we hoe langer hoe meer naar een toeschouwersdemocratie. Partijtrouw maakt plaats voor minder voorspelbaar kiesgedrag, waarbij politiek leiders en persoonlijkheden steeds belangrijker worden. Hoe dan ook, waar de partijendemocratie burger en politiek verbond via het middenveld, daar is de toeschouwersdemocratie aangewezen op de (nieuwe) media. Als koppelteken is dat evenwel ontoereikend. Om binding te creëren, beroepen nieuwe politieke partijen zich in de vloeibare moderniteit daarom op metaforen zoals 'wij, het volk' of 'wij, de natie'. Dit zijn de succesrijke koppeltekens van de toeschouwersdemocratie. De vraag is echter of deze dunne identiteiten – in essentie zijn en blijven het immers lege betekenaren – in staat zullen zijn om de spagaat tussen burger en politiek te blijven overbruggen. Aan de andere kant zijn populisten er in geslaagd zijn om een nieuwe breuklijn van 'integratie versus demarcatie' tot inzet van het politieke debat te maken. Heel wat maatschappelijke tegenstellingen worden op die manier geherdefinieerd in termen van 'universalisme versus particularisme', waarbij het in essentie om de keuze tussen een open en een gesloten samenleving gaat. Op het culturele vlak gaat het om de vraag in welke mate vreemdelingen en devianten deel kunnen uitmaken van de constructie van 'wij, het volk'. Op het economische vlak gaat het niet louter om de tegenstelling tussen 'staat versus markt', maar ook om de vraag wie op basis van welke voorwaarden deel kan uitmaken van 'onze' solidariteitskring. Terwijl op het politieke vlak de vraag centraal staat of Vlaanderen, België dan wel Europa de gewenste demos is.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 24