Abonneer Log in

Een nieuwe lente, een nieuw economisch geluid

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 6 (juni), pagina 25 tot 31

De neoklassiek economische doctrine heeft haar beste tijd gehad. Het is hoog tijd voor verfrissende en hoopvolle alternatieven. Vanuit een uitgesproken links progressief en humanistisch maatschappijbeeld geven we in dit stuk een voorzet met vijf ankerpunten: een economie op mensenmaat, een bruisende lokale economie, een inclusieve en solidaire economie, een ecologisch verantwoorde economie en een economie geleid door een krachtdadige overheid.

#BETERNACORONA - BOUWEN AAN EEN NIEUWE WERELD

Een nieuw huis bouwen
Conner Rousseau
Een nieuwe lente, een nieuw economisch geluid
Nathalie Vallet
Hoe we komen tot een inclusieve automatisering
Toon Van Overbeke en Bob Hancké
Tellen we wat telt en telt wat we tellen?
Stefaan Vandist
Duurzame ontwikkeling als kompas voor bedrijven
Carl De Cock en Britt Buseyne
Grenzeloze solidariteit is het enige antwoord
Els Hertogen
De weg naar een fossielvrij energie­systeem
Thijs Van de Graaf

De verstandhouding tussen samenleving en economie kent turbulente tijden. Ze blijken immers steeds minder een verzoenbare eenheid te vormen. Dat is vreemd. Want de economie is in feite gewoon onderdeel van het leven zelf. Het heeft betrekking op het goed beheer van schaarse middelen in functie van de bevrediging van onze dagdagelijkse noden en behoeften. Hierdoor produceren en consumeren we, maken en verwerven we, geven en ontvangen we. Economisch gedrag is dus het transformationeel én transactioneel gedrag waar mensen dagdagelijks mee bezig zijn.

Alhoewel het makkelijker zou zijn om een thema te kiezen binnen mijn eigen economische expertise, namelijk het strategisch management van publieke alsook sociale en solidaire economie organisaties (SSE), wil ik in deze bijdrage bewust breder en verder kijken. Naar aanleiding van de COVID19 pandemie is het immers hoog tijd voor (ver)nieuw(end)e beschouwingen over ons economisch denken en handelen. Tijd voor een nieuwe lente.

In deze bijdrage zal ik vooreerst kort verduidelijken waarom zo'n (ver)nieuw(end)e brede kijk op economie nodig is. Vervolgens zal ik aangeven hoe het nieuwe pad er kan uitzien. Toegegeven, het is slechts 'een' pad en een 'eerste worp' naar dat pad. Werk onder constructie dus.

DE MENS AAN DE GRENS

Als jonge studente economie in de jaren 1980 sprak de titel van het boek De Mens aan de Grens (1985) van Jaap Kruithof tot mijn verbeelding. Toegegeven, een enigszins verwarrende verbeelding. Ik had immers net zoals mijn generatiegenoten geleerd dat we ingevolge de voornamelijk westers geïnspireerde vooruitgangsgedachte weinig met grenzen van doen hadden. Grenzen waren er om overwonnen te worden. Altijd groeien, groter worden, meer en beter. Daar waren we immers van overtuigd. Allen op weg naar een weldegelijk bereikbaar Utopia.

Toegegeven, dat Utopia kende doorheen de geschiedenis uiteenlopende gezichten. Twee economische Utopia's namen vanaf de 19e eeuw alvast het voortouw. De ideologisch links geïnspireerde plan- en geleide economie waarin de overheid een cruciale rol speelt, en het ideologisch rechts geïnspireerde neoklassiek of neoliberaal model waarin de kapitaal verstrekkende ondernemer bepaalt.

Op het einde van de 20e eeuw werd de strijd volgens sommigen beslecht. Samen met de val van het IJzeren Gordijn viel immers ook een belangrijke pijler van het links economisch model, namelijk de planeconomie. Het was volgens velen bewezen dat het links economisch model niet werkte. Toegegeven, er waren ernstige lacunes, tekortkomingen en problemen … maar was dat ook niet het geval met de andere bokser in de ring, de schijnbaar zegevierende neoklassieke economie? Wat met de verontrustende noodkreten van de Club van Rome (1968) over de ecologische grens van de neoklassieke groeiobsessie? Wat met de crisissen vanaf de jaren 1970, de hoge inflaties, de escalerende werkloosheid en de stagnerende economische groei? Of wat te denken van de gebarsten dot.com zeepbel vanaf 2000, van de krediet- en bankencrisissen vanaf 2007? En wat met de laatste druppel in deze emmer: de wereldwijde economische ravage veroorzaakt door de COVID19 pandemie in 2020? Waar is de vanzelfsprekende veerkracht van het neoklassiek economisch model? Waar is de onzichtbare hand? Die hebben we de laatste 50 jaar amper gezien. Ze was inderdaad … onzichtbaar.

Kortom, hoog tijd om te erkennen dat de tweede bokser in de ring evenmin overeind blijft. Hij ontspoort keer op keer. En als er dan een (tijdelijke) oplossing komt, dan is dat hoofdzakelijk door een interveniërende en puinruimende overheid. Tja, allerminst een onzichtbare hand. Hoe blind kan of wil een mens dan zijn om na de COVID19 pandemie 'zo snel mogelijk terug te willen keren naar dé economie van voordien'?

INGREDIËNTEN VOOR EEN NIEUW ECONOMISCH MANIFEST

Ik ben geen doemdenker. De grens op onze huidige economische weg is bereikt, maar we kunnen andere wegen zoeken. Nieuwe wegen, hoopvolle wegen.

Mijn zoektocht start vanuit de overtuiging dat onze economie in de samenleving moet staan en dat ze dit enkel kan indien ze direct aansluit bij onze dominante maatschappelijke basiswaarden. Wat voor samenleving willen we eigenlijk, wat is wenselijk?

Geen gemakkelijke vraag want zoveel mensen, zoveel wensen. Maar laat me toe een keuze te maken. Ze gaat terug naar een belangrijk kantelmoment in onze westerse samenleving namelijk de Verlichting en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit), alsook naar de meer recente inzichten verworven over de kwetsbaarheid van onze aarde. Toegegeven, het is een keuze, maar wel één die aansluit bij een bredere links progressieve en humanistische beweging. Een beweging die trouwens al geruime tijd kan rekenen op bijdrages van grote economische denkers zoals Joseph Stiglitz, Paul Krugman, Thomas Piketty en Richard Thaler.

Op dit moment én kort samengevat, resulteert deze keuze in de volgende vijf ankerpunten.

1/ Een economie op mensenmaat

Een eerste ankerpunt heeft betrekking op het expliciet kiezen voor een economie op mensenmaat. Dit is een economie die verzoenbaar is met alle andere facetten van het menselijk leven. Kortom, geen economie naast of boven de samenleving, maar wél in de samenleving.

In tegenstelling tot het neoklassieke denken, betekent dit onder meer dat de informele of de niet in monetaire termen uitgedrukte economie zoals vrijwilligerswerk of ruilhandel, die in de COVID19 pandemie trouwens verre van plat lag, een volwaardige en respectvolle plaats krijgt toebedeeld. Het betekent ook dat de rol van sectoren die direct aan het fysieke en psychische welzijn van de mens raken, worden opgewaardeerd. Zoals dat eveneens in de COVID19 pandemie duidelijk is geworden, gaat het daarbij onder meer over de brede zorgsector, de sociale sector en de cultuursector. Een flinke portie culturele ontspanning op de buis en een dagelijks applaus voor onze helden is uiteraard mooi, maar ergens ook schrijnend. Reeds decennia lang wordt er op aangeven van het neoklassiek gedachtegoed, in deze sectoren immers drastisch bezuinigd. Maar in levensbedreigende COVID19 tijden wordt er aan hen wél gevraagd om ons onbaatzuchtig bij te staan. Il faut le faire. Zelfs al overtrof onze vraag toen ruimschoots hun aanbod, nergens was de onzichtbare hand te ontwaren om volgens de wetten van de vrije markt de saneringen en noodzakelijke investeringen snel en drastisch te herzien. Meer nog, deze sectoren worden zelfs niet in overweging genomen wanneer onze neoklassiek geïnspireerde beleidsverantwoordelijken de mond vol hebben over maatregelen ter ondersteuning van de heropstart van dé economie.

2/ Een bruisende lokale economie

Een tweede economisch ankerpunt heeft betrekkingopde expliciete en onvoorwaardelijke (her)waardering van de lokale economie. Een belangrijk geesteskind van het neoklassiek economisch gedachtegoed, namelijk de globalisering, moest vanaf het einde van de 20e eeuw leiden tot een ongekende groei en welvaart voor iedereen.

Door de economische activiteiten van een organisatie uiteen te trekken en ze daar in de wereld te plaatsen waar ze relatief het goedkoopste zijn én ze vervolgens via de digitale revolutie online te bezorgen aan de klant, boekten de globaliserende ondernemers inderdaad enorme kostenvoordelen. Enorm was echter niet genoeg. Gedreven door het neoklassieke ideaal van maximale winst, kwamen ze terecht in een hongerige overdrive. Ze dreven hun productie spectaculair op, ze drukten de (arbeids)kosten op ethisch vaak bedenkelijke wijze, én ze manipuleerden en zwengelden de vraag van de klanten artificieel aan (denk aan de gecreëerde markt van de mobiele telefonie). Los van de negatieve effecten van de globalisering op het milieu (vervuiling en uitputting van schaarse grondstoffen) en de mens (uitbuiting, ongelijkheid en armoede), hebben globaliserende ondernemers via hun agressief kostenleiderschap eveneens het gras onder de voeten gemaaid van hun lokale kleine broertjes waardoor het integrale economisch systeem ernstig ontspoorde. De economische familie zat opgescheept met een agressieve, escalerende en ongelijke familiestrijd.

Voor een economie die in de samenleving staat is dit een zeer ernstig probleem. Indien lokale ondernemers onvoldoende aansluiten bij onze economische noden en behoeften, dan heeft de samenleving omwille van de directe nabijheid een veel betere machtspositie om in te grijpen. Dat is geenszins het geval met de globaliseringseconomie. De globaliserende ondernemers gedragen zich immers zoals de 18e eeuwse autocratische despoten waartegen nota bene Adam Smith zelf, de grondlegger van het neoklassieke denken, zich fel verzette.

3/ Een inclusieve en solidaire economie

Een volgend economisch ankerpunt heeft te maken met het expliciet garanderen van een inclusieveen solidaireeconomie. Dit is een economie waaraan iedereen op voet van gelijkwaardigheid als consument (gebruiker van producten en diensten) én als producent (verstrekker van de productiefactoren arbeid en kapitaal) kan deelnemen.

Die gelijkwaardigheid is mede door de neoklassiek economische doctrine overduidelijk zoek geraakt. Volgens deze doctrine moet de economie immers volledig ten dienste staan van énkel de verstrekkers van kapitaal én de meest kapitaalkrachtige consumenten die het snelst de belangen van de eersten kunnen behartigen. Concreet gebeurt dit via het principe van de winstmaximalisatie, de winst als beloning voor hun ingebracht kapitaal. De belangen van de verstrekkers van de productiefactor arbeid, alsook van de minder kapitaalkrachtige en/of sociaal geïnspireerde ondernemers, alsook van de socio-economisch meer kwetsbare consumenten, zijn aan deze winstambitie volledig ondergeschikt.

De COVID 19 pandemie heeft evenwel aangetoond dat een economie zonder de productiefactor arbeid platligt. Evenzeer heeft de pandemie duidelijk gemaakt dat minder kapitaalkrachtige en sociaal geïnspireerde ondernemers de fysieke en mentale noden van alledag, perfect kunnen én willen lenigen. Ze hebben van de situatie geen misbruik gemaakt om bijvoorbeeld snel hoge winsten te incasseren. En iedereen, zelfs de economisch meest kwetsbare burgers, heeft zijn steentje bijgedragen aan het draaiende houden van de economische motor (winkelen bij de lokale middenstand, boodschappen doen voor hulpbehoevende buren, betaalbare mondmaskers maken van gerecycleerde restjes stof). Kortom, samen solidair, sterk én vrij. Dat is de essentie van een inclusieve economie.

4/ Een ecologisch verantwoorde economie

Een vierde economisch ankerpunt heeft betrekking op het bewaken van een ecologisch verantwoorde economie. Benodigde grond- en hulpstoffen, zuivere lucht, drinkbaar water, gezonde voedingstoffen … dit zijn niet enkel belangrijke productiefactoren voor de economie, maar eveneens fundamentele bouwstenen voor een leefbare samenleving.

Het probleem is echter dat de natuur geen menselijke gedaante heeft. Hierdoor kan de natuur haar belangen in de economie, die per definitie een mensenzaak is, 'persoonlijk' niet veilig stellen. Zo kan ze niet aan tafel zitten om te onderhandelen, of zelf prijzen en hoeveelheden te bedingen. Op deze manier is de natuur de meest kwetsbare actor in het economisch systeem. Dat is zeker zo in de neoklassiek economische doctrine waarbij de natuur eveneens genadeloos wordt onderworpen aan de winstmaximalisatie. Als meest kwetsbare actor loopt ze dan ook het meeste risico op uitbuiting en armoede, lees op roofbouw, uitputting en het verdwijnen van biodiversiteit.

Er is nog een tweede probleem. Ingevolge de neoklassieke doctrine zijn consumenten en producenten gewend geraakt aan onbeperkte keuze- en groeimogelijkheden. Net zoals junkies zoeken ze naarstig naar surrogaten indien de natuur hieraan grenzen stelt. Indien vervuilende wagens op benzine en diesel niet meer wenselijk zijn, dan stappen ze massaal over op elektrische wagens en speed pedelecs. Dit, onafgezien de ecologische voetafdruk van de daarbij op volle toeren draaiende productie en even snel groeiende afvalberg van al dat nieuwe digitale goud. Laat me duidelijk zijn: de digitale revolutie heeft zeker haar merites, maar het is gevaarlijk en zelfs verkeerd om te veronderstellen dat het digitale tijdperk de schade aan de natuur en het ecologisch evenwicht automatisch zal oplossen. Zolang we immers een neoklassiek economisch model blijven gebruiken, verandert dit op termijn niets fundamenteels. Een technologie die in de ban is van het neoklassieke paradigma, is een technologie op drift. Een technologie buiten de samenleving.

5/ Een economie geleid door een krachtdadige overheid

Een vijfde en voorlopig laatste economisch ankerpunt is het expliciet uitbouwen van een sterke geleide economie. In het neoklassiek gedachtegoed krijgt de overheid een uitgesproken negatief imago. Dit imago wordt sinds de jaren 1980 bovendien onafgebroken gevoed door een, toegegeven, erg succesvolle groep van welbespraakte propagandisten en politici. Wat ze doorgaans zeggen over die overheid is vaak simplistisch en onjuist (Vallet, 2016 en 2019). Maar, ze slagen er wel steeds opnieuw in om een grote massa én zelfs elites in onze samenleving mee te krijgen. Heel wat mensen koesteren dan ook een grote afkeer en argwaan tegenover dé overheid, vaak gepaard gaande met onderliggende angsten en ontevredenheid (Nussbaum, 2018). Dat is vreemd. In een democratische rechtsstaat is de overheid immers ons alter ego. Die overheid hebben wij zelf gekozen. Geef toe, dan neigt het verwerpen en bestrijden van de overheid toch sterk naar een dreigende identiteitscrisis en/of schizofrenie?

Ikzelf zie de overheid vooral als een zeer waardevolle, inspirerende, enthousiasmerende, bezielende, corrigerende, harmoniserende en vooral krachtige economische actor. Diegene die alle voorgaande economische ankers mee vorm geeft, bewaakt en garandeert. In dit opzicht vervult de overheid een sleutelpositie in een economie die volgens mij de vorm moet aannemen van een economisch partnerschap. Partner verwijst naar het Latijn, paribus of 'gelijke'. Dit is een ander concept dan de nu populaire netwerkgedachte, die voor mij geen vanzelfsprekende gelijkwaardigheid garandeert.

Deze gelijkwaardigheid impliceert een expliciete erkenning én appreciatie van de informele economie, de circulaire economie, de sociale en solidaire economie (SSE) en de ethische ondernemers. Ze werken niet volgens de managementprincipes van de neoklassieke profit economie, maar ze vormen wél een cruciale partner. Bijkomend is er de expliciete erkenning en (her)waardering van middenveldorganisaties en/of -platforms. Zoals Galbraith reeds in 1952 benadrukte, beschikken deze immers over een belangrijke 'countervailing power' in ons economisch bestel. Ze geven een stem aan àlle economische actoren, ook aan hen die in een neoklassieke economie minder machtig en zo onvrij zijn.

NIEUWE ECONOMISCHE MANIFESTEN

Ik pleit dus voor een economische lente, onder de vorm van nieuwe economische manifesten. De recente COVID19 pandemie is daarbij de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen.

Deze manifesten komen enerzijds van onafhankelijke maar wél verenigde economische denkers. Concreet gaat het om consortia waar economen uit diverse universitaire en academische gremia hun expertise bijeen brengen om samen consistente (ver)nieuw(end)e kennispuzzels te leggen. Deze kennispuzzels moeten expliciet vertrekken vanuit ideaaltypische maatschappijbeelden, vandaar manifesten. Enkel zo kunnen ze een economie creëren die in de samenleving staat. Een extra garantie daarvoor is de betrokkenheid van ook andere maatschappij-gerelateerde disciplines én van vertegenwoordigers uit het brede economische werkveld. In dit artikel heb ik als econoom alvast geprobeerd mijn eigen eerste puzzelstukjes op tafel te leggen. Ze vertrekken vanuit een uitgesproken links progressief en humanistisch maatschappijbeeld én zoeken aansluiting bij een wereldwijd groeiende economische gemeenschap.

Anderzijds komen de manifesten van geëngageerde overheden die dit (ver)nieuw(d)e economisch denken stimuleren én omzetten in daden. Daarnaast moet een geëngageerde overheid ook bereid zijn haar eigen rol, structuur en organisatie te willen herzien. In plaats van een traditionele, geïsoleerde en zo eenzijdige – lees overwegend profit gerichte – invulling te geven aan de beleidsbevoegdheid economie, moet er sprake zijn van een expliciete laterale verknoping met àlle andere sectoren en actoren die volwaardig deel uitmaken van het brede economische weefsel van onze samenleving. Bij een heropstart van dé economie na de COVID19 pandemie moeten financiële injecties en economische steunmaatregelen dus op dit integrale speelveld gericht zijn. En ook de productie, de werkgelegenheid en de koopkracht gegenereerd door de informele economie, de circulaire economie, de sociale en solidaire economie, de ethische ondernemers, de brede zorgsector, de sociale sector, de cultuursector en de ecologische sector (inclusief lucht, water, bos- en natuurbeheer) horen daarbij.

REFERENTIES

Galbraith, J.K. (1952), 'American Capitalism. The Concepts of Countervailing Powers', Boston: Houghton Mifflin.
Kruithof, J. (1985), 'De mens aan de grens. Over regiliositeit, godsdienst en antropocentrisme', Antwerpen: EPO uitgeverij
Krugman, P. (2008), 'The Return of Depression Economics', London: Penguin Books.
Nussbaum, M.C. (2018), 'Het koninkrijk van de angst. Een filosofische blik op angst als politieke emotie', Amsterdam/Antwerpen: Atlas contact
Piketty, T. (2020), 'Kapitaal en ideologie', Amsterdam: de Geus.
Stiglitz, J.E. (2010), 'Freefall: America, Free Markets and the Sinking of the World Economy', New York: W.W. Norton & Company.
Thaler, R.H. (2015), 'Misbehaving: the Making of Behavioral Economics', New York: W.W. Norton & Company.
Vallet, N. (2016), 'Hedendaagse mythes in publiek management: over de kaars en bril waarmee de uil zien wil', Vlaams tijdschrift voor overheidsmanagement (VTOM), 21:59-83.
Vallet, N. (2019), 'Strategisch management in publieke organisaties. Over alternatieve benaderingen en paradigma's', Brussel: Politeia.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 6 (juni), pagina 25 tot 31