Abonneer Log in

American Capitalism 2.0

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 2 (februari), pagina 61 tot 65

De syndicalisatiegraad in de VS is sinds 1973 tot een vierde teruggevallen. De daling van de vakbondsmacht is er, veel meer dan globalisering of technologische vooruitgang, de eerste en belangrijkste oorzaak van stagnerende lonen en stijgende inkomensongelijkheid.

Een daling van de vakbondsmacht leidt tot een daling van de arbeidsvergoeding.

Stagnerende lonen worden niet alleen economisch maar ook maatschappelijk als zeer verontrustend beschouwd.

AMERICAN CAPITALISM

Bijna 70 jaar geleden schreef John Kenneth Galbraith het eerste van de drie boeken waarmee hij wereldbekend zou worden: American Capitalism.1 Hij stelde daarin dat de Amerikaanse economie na de Tweede Wereldoorlog anders functioneerde dan men zich voorstelde én wenste. Toch hoefde men zich daar geen zorgen over te maken, wel integendeel. De naoorlogse marktstructuur werd gekenmerkt door grote economische concerns (big business), concentratie van de productie en bijgevolg imperfecte concurrentie. Imperfecte concurrentie beschouwde men als problematisch want afwijkend van het ideaal van perfecte concurrentie, waarmee de economie ten tijde van onder ander Adam Smith en David Ricardo werd geassocieerd. Perfecte concurrentie gold als het ideaal omdat in deze situatie de ondernemingen de grootst mogelijke hoeveelheid tegen de laagst mogelijke prijzen produceerden. Ze hadden letterlijk geen andere keuze: het prijsmechanisme zou er altijd voor zorgen dat de minste afwijking van de scherpste condities op de markt onverbiddelijk werd afgestraft met verlies aan marktaandeel en winst. Ondernemingen waren aan de wetten van de markt onderworpen.

Anno 1950 was de Amerikaanse economie mijlenver verwijderd van dit ideaalbeeld van perfecte concurrentie. Dit baarde zorgen, zowel bij conservatieve als liberale economisten en politici, maar ogenschijnlijk zonder veel grond. Dit waren de jaren dat de massaconsumptiemaatschappij tot ontplooiing kwam, met snelgroeiende inkomens en productie, burgers die massaal een middenklassenstatus bereikten en innoverende bedrijven die een lawine aan nieuwe, betaalbare producten op de markt brachten. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog had men angst voor een herhaling van de Depressie van de jaren 1930, maar juist het omgekeerde gebeurde. Galbraith verwijst naar het fenomeen van de reclame en de marketing als indicator van de bereikte overvloed, namelijk als een maat voor de verspilling die men zich kon permitteren. Schaarste was eigenlijk niet meer het economische probleem.

Schaalvoordelen bij de productie en hogere arbeidsproductiviteit, typerend voor big business, waren één belangrijk element ter verklaring voor de snelle groei en de hoge welvaart. Maar big business betekende eveneens marktconcentratie en dus ondernemingen die wél de markt naar hun hand konden zetten. Via het manipuleren van prijzen of aanbod stuurden zij de markt naar een toestand die voor hen het meest winstgevend was, zonder meer te moeten investeren of efficiënter te produceren: monopolie- of overwinsten ten koste van de algemene welvaart.

Waarom bleef welvaartsverlies door marktmacht uit? Dat was de vraag waarmee Galbraith zich in American Capitalism inliet. Zijn antwoord hierop was het ontstaan van een tegenmacht (countervailing power). De excessen waartoe marktconcentratie aanleiding zou geven, werden verhinderd niet door de disciplinerende werking van de markt maar integendeel door het ontstaan van collectieve organisaties die vergelijkbaar in macht waren met big business. Galbraith verwees hierbij in eerste instantie naar de collectieve organisatie van werknemers in vakbonden.2

DE TELOORGANG VAN DE COUNTERVAILING POWER

Vanaf de Reagan- en Thatcher-periode kreeg de countervailing power, zeker in de Angelsaksische landen, een serieuze knauw. In dit zogenaamde tijdperk van diminished expectations3 was men ervan overtuigd dat een herstel van de economische groei enkel kon door de markt te dereguleren zodat ondernemerschap zich zou ontplooien.

Vorig jaar publiceerden Anna Stansbury en Larry Summers belangwekkend onderzoek over de impact van de teloorgang van de countervailing power, dat ogenschijnlijk nog niet de aandacht krijgt die het verdient. Zij argumenteren dat de daling van de vakbondsmacht in de Verenigde Staten sinds de jaren 1980 de eerste en belangrijkste oorzaak is van de opvallende evoluties die de Amerikaanse economie kenmerkt4: de daling van het aandeel van arbeid in het nationale inkomen, de stijging van de winstgevendheid en de waarde van de bedrijven (denk aan de boom op de aandelenbeurzen van de afgelopen decennia) en de steeds verdere daling van de werkloosheid samengaand met een daling (zoniet het verdwijnen) van de inflatie. Het uitdagende van deze studie is dat dalende vakbondsmacht niet wordt beschouwd als één van de vele ontwikkelingen in de Amerikaanse economie maar integendeel als de eerste en belangrijkste determinant ervan.

Een daling van de vakbondsmacht leidt tot een daling van de arbeidsvergoeding.

Een eerste en eenvoudige indicator van vakbondsmacht die wordt gebruikt, is de syndicalisatiegraad. Deze is in de VS sinds 1973 tot een vierde teruggevallen (van 24% tot 6%), volgens de auteurs voornamelijk door institutionele factoren (zoals arbeidsmarktwetgeving). Economische factoren achten zij hiervoor minder relevant. Ten eerste komt dat omdat de daling van de syndicalisatiegraad vergelijkbaar is tussen sectoren met een heel verschillend patroon wat betreft globalisering, technologische verandering en deregulering. Ten tweede is de daling van de syndicalisatiegraad in de VS veel groter dan in andere geïndustrialiseerde landen met een vergelijkbare economische evolutie. Een daling van de vakbondsmacht leidt tot een daling van de arbeidsvergoeding. Deels bestaat deze uit een 'surplusloon', dit is het deel van de globale winst dat de werknemers naar zich kunnen toetrekken en dat daarom ook als rent-sharing wordt aangeduid. Over rent-sharing wordt er onderhandeld en bijgevolg is ze afhankelijk van de macht van de betrokken partijen: een dalende vakbondsmacht impliceert zodoende een daling van de rent-sharing, met een neerwaarts effect op de arbeidsvergoeding. Stansbury en Summers vinden feitelijke aanwijzingen van dit mechanisme in de daling (voor werknemers met vergelijkbare karakteristieken) van het loonverschil tussen grote en kleine bedrijven, de daling van de loonverschillen tussen industrieën en een zwakker verband tussen de evolutie van de lonen en deze van de productiviteit en winsten. Voor elk van deze drie kenmerken geldt vakbondsmacht als een belangrijke determinant. Stansbury en Summers schatten dat het totale 'surplusloon' tussen 1987 en 2016 is gehalveerd (van 12 naar 6%). Dit beschouwen ze als een onderschatting omdat het onrechtstreekse effect van een lagere vakbondsmacht, namelijk op de vergoeding van de niet-gesyndiceerde werknemers, niet in rekening is gebracht.

Waar ging de daling van het 'surplusloon' dan naartoe? Vermits in dezelfde periode de vergoeding voor kapitaal niet daalde (integendeel) evenmin als de totale rents (of overwinsten), moet men concluderen dat de gedaalde vakbondsmacht in de eerste plaats heeft geleid tot een verschuiving van rents van arbeid naar kapitaal. Met andere woorden, er was geen rentdestructie maar rentredistributie, van arbeid naar kapitaal.

Recent wijzen steeds meer economisten op het fenomeen van de gigantische overwinsten in de Amerikaanse economie en brengen deze in verband met een tendens tot marktconcentratie en monopolisatie: een grotere macht van big business. Hiernaar verwijst onder meer naar het onderzoek naar de prijsvorming bij ondernemingen, waaruit blijkt dat de marges tussen verkoop- en kostprijs (de zogenaamde mark-ups)aanzienlijk zijn. In zijn boek The Great Reversal (2019) beschrijft de Franse economist Thomas Philippon5 vlijmscherp hoe een aantal belangrijke producten en diensten vandaag goedkoper zijn in Europa dan in de VS, in tegenstelling tot vroeger. Hij argumenteert dat de marktconcurrentie in de VS is afgenomen, in de eerste plaats door politieke beslissingen onder druk van uiteenlopende belangengroepen, en dat de grotere marktmacht van de ondernemingen heeft geleid tot lagere lonen, investeringen, productiviteit, groei en meer ongelijkheid.

Stansbury en Summers wijzen er echter op dat hogere mark-ups geen bewijs zijn tegen dalende rent-sharing door de lagere vakbondsmacht ter verklaring van de ontwikkelingen waarnaar Philippon verwijst. Vermits de mark-ups worden gemeten als het verschil tussen de verkoop- en de kostprijs, omvatten zij al de verschuiving van rents van arbeid naar kapitaal. Met andere woorden: de hogere mark-ups van de ondernemingen kunnen evengoed het gevolg zijn van een grotere macht van de ondernemingen ten opzichte van de werknemers dan van een grotere macht ten opzichte van de consumenten. Dit onderbouwen ze verder door een macro-economisch model van de Amerikaanse economie, dat de belangrijkste ontwikkelingen ervan verklaart vanuit de gestegen monopoliemacht van de ondernemingen, te repliceren vanuit het gedaalde aandeel van arbeid in rent-sharing.

De belangrijkste aanwijzingen ten voordele van de gedaalde vakbondsmachtverklaring van de evolutie van de Amerikaanse economie ten opzichte van de meest gangbare alternatieve hypothesen (globalisering, technologische vooruitgang of gestegen monopoliemacht van de ondernemingen) vinden de auteurs in de evolutie van de werkloosheid en de inflatie in de VS. Beiden zijn namelijk bijna verdwenen: voor de coronacrisis was de werkloosheidsgraad in de VS ongezien laag sinds er cijfers van worden bijgehouden en, hoewel een lagere werkloosheid tot een hogere inflatie zou moeten leiden, gebeurde veeleer het omgekeerde. Net zomin als in Europa slaagt de Federal Reserve erin om het ritme van de prijsstijgingen hoger dan 1 % te krijgen en dit ondanks massale geldcreatie. Globalisering of technologische veranderingen kunnen wel leiden tot een lagere inflatie maar het effect op werkloosheid is in het algemeen onduidelijk. Van een grotere monopoliemacht verwacht men noch onmiddellijk een lagere werkloosheid, noch een lagere inflatie. Een zwakkere positie van werknemers op de arbeidsmarkt door een gedaalde vakbondsmacht daarentegen is consistent met zowel een lagere werkloosheid als inflatie.

AMERICAN CAPITALISM 2.0?

De evolutie van de inkomensverdeling in de VS baart voor meer dan één reden zorgen. Stagnerende lonen in reële termen sinds decennia en een inkomensongelijkheid die in andere ontwikkelde landen haar gelijke niet kent, worden niet alleen economisch maar ook maatschappelijk als zeer verontrustend beschouwd. De invloed van het populisme en de politieke ontwikkelingen die tot de verkiezing van Donald Trump als president leidden, worden in essentie in verband gebracht met het onvermogen van de economie om voldoende 'goede' jobs te creëren.

Stagnerende lonen worden niet alleen economisch maar ook maatschappelijk als zeer verontrustend beschouwd.

Vandaag verklaren vele economisten dit zoals hun voorgangers net na de Tweede Wereldoorlog. Ze zien het als een verstoring van een goede werking van het marktmechanisme omdat er té machtige bedrijven zijn ontstaan. Winners who take it all. Stansbury en Summers wijzen erop dat deze theorie misschien wel het belangrijkste aspect over het hoofd ziet, namelijk dat de monopoliemacht van de ondernemingen tot een sociaal onwenselijke situatie leidt omdat zij niet meer in bedwang wordt gehouden door een countervailing power, onder meer de macht door collectieve organisatie van de werknemers.

VOETNOTEN

  1. John Kenneth Galbraith, 'American Capitalism', in: The Affluent Society & Other Writings 1952-1967, The Library of America, New York, 2010, pp. 1-176. De twee andere boeken waren 'The Affluent Society' en 'The New Industrial State'.
  2. Hij verwees eveneens naar de grote, private distributieketens die lagere aankoopprijzen afdwongen en deze doorrekenden naar hun klanten. In Europa nam dit – toen – in vele landen nog de vorm aan van coöperatieve organisaties (zoals Vooruit).
  3. De term is van Paul Krugman en verwijst onder meer naar het gelijknamig boek: Paul Krugman, The Age of Diminished Expectations. U.S. Economic Policy in the 1990s, The MIT Press, Cambridge, Massachusetts & London, 1994.
  4. Anna Stansbury, Lawrence Summers, The Declining Worker Power Hypothesis: An Explanation for the Recent Evolution of the American Economy, National Bureau of Economic Research, Working Paper 27193, Cambridge, Massachusetts, 2020. Zie ook https://www.brookings.edu/bpea-articles/declining-worker-power-and-american-economic-performance/.
  5. Thomas Philippon, 'The great reversal: how America gave up on free markets', The Belknap Press of Harvard University Press, Cambridge Massachusetts, 2019.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 2 (februari), pagina 61 tot 65

VAKBONDEN ONDER DRUK

De zaak Bodson: toeval of trend?
Patrick Humblet
De impact van Covid-19 op de vakbeweging
Rafael Lamas
American Capitalism 2.0
Glenn Rayp