Abonneer Log in

5. 'Maak de bijstand toegankelijker'

10 IDEEËN VOOR EEN NIEUWE SOCIALE ZEKERHEID

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 3 (maart), pagina 18 tot 20

Hoe verzoenen we de bijstandsinstellingen, gebaseerd op maatwerk, met een steeds groeiende, heterogene groep?

Met een meer automatische toekenning zouden sociaal werkers meer tijd kunnen vrijmaken om echt het verschil te maken.

Waarom moet elke individuele aanvraag nog besproken worden op een raad samengesteld uit niet-professionelen?

COVID maakte een aantal tekortkomingen van onze sociale zekerheid erg zichtbaar. De rijen aan de voedselbanken groeiden, en OCMW's registreerden meer aanvragen. Deze aanvragen kwamen deels uit nieuwe groepen, zoals freelancers, jobstudenten en interimwerkers.

De toestroom van deze nieuwe profielen is des te verontrustender omdat de toegang tot de tijdelijke werkloosheid vorig jaar enorm werd uitgebreid. Werkgevers konden gemakkelijker aanvragen voor tijdelijke werkloosheid voor hun werknemers openen. Bovendien gingen de bijdragevoorwaarden tijdelijk op de schop en werd de uitkering gevoelig verhoogd. Ook voor zelfstandigen werd het overbruggingsrecht gemakkelijker toegankelijk. Een recente COVIVAT-studie toont dat de tijdelijke werkloosheid en het overbruggingsrecht de schok in grote mate opvingen, voordiegenen die er toegang toe hadden.

Het is pijnlijk dat, zelfs met deze inspanningen, een groep mensen niet (afdoende) beschermd bleek. We weten voorlopig niet hoe groot deze groep juist is. Precieze cijfers over de leefloongerechtigden, zeker opgesplitst naar eerdere status, zijn nog niet beschikbaar voor het volledige jaar 2020, maar eerste cijfers maken gewag van een aanzienlijke stijging. Daarnaast is er ook een groep mensen die verdween in de inactiviteit.

Deze groepen zijn ook in normale tijden kwetsbaar voor een onverwachte tegenslag. Mensen die hun inkomen noodgedwongen aanvullen met flexi-jobs, studenten die hun studies combineren met studentenarbeid, werknemers die tijdelijke contracten aaneenrijgen of artiesten die verschillende statuten met elkaar combineren kunnen ook zonder een ingrijpende lockdown geconfronteerd worden met een sociaal risico, dat onvoldoende gedekt blijkt. Bovendien zal er op zo'n moment geen globale uitbreiding van de toegang tot de sociale zekerheid zijn. Zij verdwijnen dan in de inactiviteit, gestut door de inkomens van andere gezinsleden, of nieuwe aanvragen komen druppelsgewijs toe bij de OCMW's.

TOEGENOMEN WERKLAST

Het aantal mensen dat een beroep doet op de bijstand stijgt inderdaad al lange tijd. Economische en demografische verschuivingen zorgden voor nieuwe groepen kwetsbaren. De overheid reageerde door de bijstandsuitkeringen toegankelijk te maken voor nieuwe sociale risico's, gekoppeld aan verhogingen van bijstandsuitkeringen en een enigszins aangepaste financiering. Nieuwe groepen werden opgenomen in de bijstand, zoals vluchtelingen, studenten, schoolverlaters, gescheiden huisvrouwen, … Ook wanneer de toegang tot sociale zekerheidsuitkeringen strenger wordt, bijvoorbeeld door sancties binnen de werkloosheidsverzekering, breidt de potentiële populatie bijstandsgerechtigden uit.

De bijstand was echter niet bedoeld als grootschalig vangnet voor een zeer heterogene groep, maar als residueel stelsel voor een kleine groep mensen die er niet in slaagde aansluiting te vinden met de arbeidsmarkt. Deze doelgroep, geconfronteerd met uiteenlopende problemen, zou sterk gebaat zijn bij een intensieve, persoonlijke begeleiding. Vandaar de keuze voor bijstandsuitkeringen gekoppeld aan sociaal werk, georganiseerd en voor een substantieel deel gefinancierd op lokaal niveau. De grote uitbreiding van de doelgroep van de bijstand heeft deze premisse ontkracht.

Een pertinente vraag dringt zich dan ook op: Hoe verzoenen we de bijstandsinstellingen, gebaseerd op maatwerk, met een steeds groeiende, heterogene groep?

De aanvankelijke logica die noopte tot sociaal beleid op lokaal niveau is soms ver te zoeken. Toch blijft de administratie en beoordeling van de individuele aanvragen een lokale verantwoordelijkheid, waarbij een sociaal werker een onderzoek uitvoert naar de middelen en noden van het gezin, een huisbezoek aflegt en een verslag van dit onderzoek voorlegt aan een lokale politieke raad. Deze raad beslist dan over de toekenning van de uitkering. Een aantal voorwaarden moet steeds gecheckt worden. Is het OCMW bevoegd? Dit hangt af van de effectieve woonplaats van de aanvrager. Heeft de aanvrager alle mogelijke rechten uitgeput? Hiervoor worden vaak documenten opgevraagd die de arbeidsmarktgeschiedenis moeten staven, wat leidt tot een aanzienlijke werklast voor sociaal werker en aanvrager. Een dergelijke werklast kan potentiële bijstandsgerechtigden ontmoedigen om een aanvraag in te dienen of af te ronden.

Niet alle nieuwe groepen die een beroep doen op de bijstand hebben evenveel nood aan een intensieve begeleiding en sociaal werk op maat. De huidige ongemakkelijke spreidstand tussen de oorsprong van de bijstand als een maatgericht, lokaal en enigszins discretionair systeem versus de grote en groeiende groepen die er beroep op doen, moet worden aangepakt.

EEN ÉCHTE BODEM ONDER DE WELVAARTSSTAAT

In eerste instantie moet worden nagedacht over de nood aan een intensieve sociaal werk procedure van bij aanvang. Deze staat momenteel een sterk vereenvoudigde aanvraag in de weg. Met een meer automatische toekenning zouden sociaal werkers meer tijd kunnen vrijmaken om echt het verschil te maken binnen de begeleiding van gezinnen die met meerdere uitdagingen geconfronteerd worden. Recent onderzoek toont namelijk aan dat een dergelijke intensieve begeleiding wel degelijk vruchten afwerpt. Bovendien is er binnen de bijstand een groep mensen die hun uitkering niet of te laat aanvraagt (non-take-up), wat de doelmatigheid sterk verzwakt.

Met een meer automatische toekenning zouden sociaal werkers meer tijd kunnen vrijmaken om echt het verschil te maken.

Bepaalde toegankelijkheidsvoorwaarden tot de bijstand zoals die nu bestaat kunnen enkel in een sociaal onderzoek worden beoordeeld. Omdat men de huidige nood wilt lenigen, kijkt men naar de waarde van onroerende goederen, spaargeld en huidig inkomen, en het inkomens van andere gezinsleden. Hierbij worden niet-standaard inkomens- en gezinsconcepten gebruikt. Men zou kunnen omschakelen naar concepten die administratief gekend (zullen) zijn, en bij een aanvraag werken met voorlopige verklaringen van inkomen. Deze kunnen later worden gecheckt aan de hand van looninformatie of belastinggegevens. Dit moet weloverwogen gebeuren. Het gevaar bestaat dat fluctueringen in inkomen zorgen voor verschillen in nood in een bepaalde maand en de informatie uit de jaarlijkse belastinggegevens. Bovendien blijven er gegevens die noodzakelijk zijn voor het opereren van een behoeftegebonden systeem, die niet – ook niet met vertraging – volledig door de overheid gekend zijn. Het aanpassen van de toegankelijkheidscriteria naar gekende inkomens en gezinsconcepten, zou ertoe kunnen leiden dat steeds dezelfde mensen uit de boot vallen. Een aanpassing naar eenvoudigere inkomens- en vermogensconcepten moet dan ook volgen op een verdere uitbouw van de datastromen binnen de overheid.

Daarnaast kijkt men ook naar de werkbereidheid van cliënten. We moeten overwegen werkbereidheid pas in rekening te brengen nadat het laatste vangnet in werking is getreden. Zo kan er worden gekeken naar het gedrag van cliënten in een genormaliseerde situatie, vanuit een vertrouwensband tussen sociaal werker en cliënt.

Ten slotte dienen we na te denken over de lokale inbedding van de leefloonaanvraag. Wanneer gekozen wordt voor een vereenvoudigde aanvraag, kan deze aanvraag ook deels losgekoppeld worden van lokale instanties. Dit maakt het continueren van het leefloon bij verhuis of na een sanctie door andere systemen van de sociale zekerheid evidenter. Cliënten kunnen ook beter de baten van de uitkering en de vereiste procedures inschatten, wanneer hierin geen verschillen tussen gemeentes kunnen optreden. Bovendien is het niet duidelijk waarom elke individuele aanvraag nog besproken moet worden op een raad die samengesteld is uit niet-professionelen.

Waarom moet elke individuele aanvraag nog besproken worden op een raad samengesteld uit niet-professionelen?

Kortom, er is nood aan een échte, nationale bodem onder de welvaartsstaat. Dit zou OCMW's toelaten om in te zetten op hun kernfunctie: het outreachen naar en verzorgen van het laatste vangnet voor zij die elders uit de boot vallen, en dit zowel financieel, psychosociaal als arbeidsgerelateerd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 3 (maart), pagina 18 tot 20

10 IDEEËN VOOR EEN NIEUWE SOCIALE ZEKERHEID

1. 'Herfinancier de sociale zekerheid'
Raf De Weerdt
2. 'Maak van kinderopvang een basisvoorziening'
Michel Vandenbroeck
3. 'Geef schoolverlaters meteen een uitkering of, nog beter, een job'
Astrid Thienpont
4. 'Financier eerstelijnszorg duurzaam en fair'
Veerle Vyncke en Tom Meeus
5. 'Maak de bijstand toegankelijker'
Sarah Marchal
6. 'Geef platformwerkers basisrechten'
Karolien Lenaerts
7. 'Ken volledige sociale rechten toe vanaf 4/5e VTE'
Franne Mullens
8. 'Versterk ten volle de eerste pijler'
Jozef Pacolet
9. 'Kies voor buurtgerichte ouderenzorg'
Mieke Vogels
10. 'Bouw een mondiaal fonds voor sociale zekerheid'
Gorik Ooms