Abonneer Log in

Iedereen aan de bak?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 32 tot 36

In de regeringsverklaring van Jan Jambon kreeg het hoofdstuk Werk een prominente plaats. Met Hilde Crevits op die portefeuille gaat de bevoegdheid arbeidsmarktbeleid bovendien voor het eerst sinds lang opnieuw naar CD&V. Op de beleidsbrief is het vooralsnog wel even wachten, maar op basis van de eerste toespraak van de kersverse minister-president was de centrale doelstelling alvast duidelijk: 'De Vlaamse Regering zal alles op alles zetten om de werkzaamheidsgraad op te trekken naar 80%. Zo zullen we aansluiten bij de top van Europa. We willen de volgende jaren 120.000 Vlamingen extra aan een job helpen'. In het regeerakkoord staat een reeks maatregelen die moeten helpen om die doelstelling te behalen. Nu we, uiteindelijk dan toch, ook de begrotingscijfers erbij hebben kunnen we een eerste indruk geven van de plannen van deze regering voor het arbeidsmarktbeleid. We bekijken daartoe vijf vragen.

IEDEREEN ACHTER DE VEREN ZITTEN?

Het centrale uitgangspunt lijkt alvast te zijn 'iedereen aan de bak'. Een beetje jammer wel van de valse noot die men slaat met het cijfer van de '120.000 mensen aan de slag'. Nog maar net verscheen een studie van het Steunpunt Werk waarin werd aangetoond dat om aan 80% werkzaamheidsgraad te geraken tegen 2024, er geen 120.000 maar zo'n 200.000 extra mensen aan de slag zouden moeten gaan. Maar goed, de intentie is duidelijk.

Het is de ambitie om het huidige activeringsbeleid te verbreden. Naast werklozen moeten ook heel wat andere groepen van inactieven voortaan bereikt, aangepord en gestimuleerd worden om aan de slag te gaan. Het gaat dan om bijvoorbeeld leefloongerechtigden, RIZIV-gerechtigden, huisvrouwen/mannen, ex-zelfstandigen, enzovoort. Op zich hoeft daarmee niets mis te zijn. Eerder al stelden de Vlaamse sociale partners in hun akkoord 'Iedereen aan boord' dat het aanspreken van andere groepen dan werklozen een antwoord kan zijn op de problemen van krapte en competentiemismatch op de arbeidsmarkt. Uit dat akkoord bleek echter ook dat veel afhangt van de uitwerking, en de sociale partners raadden toen dan ook aan om eerst een uitgebreid onderzoek te voeren én een gecoördineerd en doordacht plan op te stellen. Dat leidt ons tot drie bedenkingen:

Een. Hoe ver wil men gaan in het afbakenen van de groep inactieven. Is iemand die mantelzorg opneemt inactief? Is iemand die opleidingskrediet, zwangerschapsrust of ouderschapsverlof opneemt inactief? En zo ja, is het dan wel het soort inactiviteit dat we willen 'bestrijden'? Goed afbakenen om wie het gaat, is dus van levensbelang.

Twee. Onterecht wordt de indruk gewekt dat gewoon het huidige activeringsbeleid uitbreiden het antwoord is om al die groepen aan de slag te krijgen. Dat is natuurlijk niet correct. Iemand die zwartwerk doet, iemand die ziek is en iemand die mantelzorg opneemt kunnen alle drie officieel 'inactief' zijn, maar het zal duidelijk zijn dat voor elk een totaal andere aanpak nodig én wenselijk is. Als bijvoorbeeld de toegang tot betaalbare kinderopvang de drempel is om aan de slag te gaan, dan moet je daaraan iets doen en niet gewoon dreigen met sancties. Het zijn vaak net een aantal tekortkomingen in het beleid (onvoldoende kinderopvang, onwerkbare jobs, slechte arbeidsomstandigheden, een ontoereikend opleidingsaanbod) die maken dat mensen van de arbeidsmarkt en soms zelfs van de radar van VDAB verdwijnen. Die tekortkomingen moeten worden aangepakt vooraleer we VDAB op pad sturen om allerlei niet-werklozen (maar wel inactieven) te gaan activeren.

Bovendien staat er nogal simplistisch in het regeerakkoord vermeld: 'Niet langer het statuut of het uitkeringsstelsel, maar de competenties en de afstand tot de arbeidsmarkt bepalen de toegang tot de dienstverlening.' Er zijn echter ook nog zoiets als de rechten en plichten die bij een bepaald statuut horen en waarvan we best niet al te lichtzinnig afwijken. Iemand die ervoor kiest om huisvrouw te zijn zonder een aanspraak te maken op een uitkering, hebben we tot niets te verplichten. Een werkloze heeft andere plichten en rechten dan een leefloner, en krijgt ook een andere uitkering. We moeten erg goed oppassen dat we al die groepen niet over eenzelfde kam gaan scheren, want dat zou vooral leiden tot buitenproportionele plichten en sancties waarvan het sterk de vraag is of deze een juridische toets zouden doorstaan. Hetzelfde geldt voor de extra plichten die men wil opleggen aan inburgeraars. Om maar een voorbeeld te noemen: wanneer zij na zes maanden geen job of opleiding hebben, moeten zij een taaltest afleggen en daarvoor 90 euro betalen. Moeten zij voortaan voor de overheid dan meer hun best doen dan andere groepen burgers? Hoe kan men verdedigen dat wanneer zij eenmaal aan alle vereisten voldoen voor wettig verblijf, zij toch anders behandeld zullen worden?

Drie. Wat met de boter bij de vis? Dit is alvast de grootste bedenking bij de ambitie rond de werkzaamheidsgraad (en trouwens bij nog heel wat andere punten in het regeerakkoord). Men overlaadt hier de VDAB met activeringstaken ten aanzien van tal van groepen waar men op vandaag nog geen opdracht naar heeft, maar in de begrotingstabellen zien we voorlopig niet de injectie aan middelen staan die je zou verwachten opdat dat activeringsbeleid ook geïmplementeerd zou kunnen worden. Integendeel, er wordt juist bespaard. Hoe men denkt dat VDAB al dat extra werk gaat klaren met minder middelen, is een raadsel. Bovendien is begeleiding één zaak, maar aan het einde van die begeleiding moet er wel een job zijn waarin men welkom is, en een werkgever dus. Over het activeren van die werkgevers die systematisch voor bepaalde groepen minder open staan, lezen we echter geen woord.

IEDEREEN ERONDER DOOR?

Bij een tweede doelstelling uit het regeerakkoord hebben we een gelijkaardige bedenking. Men stelt dat burgers hun loopbaan in eigen handen moeten nemen en dat men allerhande maatregelen gaat nemen om hen daarin te ondersteunen. Hoe precies gaat men dat doen? Wel, we lezen: 'We bieden hen een waaier aan instrumenten om hun loopbaan (bij) te sturen, maken maximaal gebruik van digitale mogelijkheden, ondersteunen levenslang leren, focussen op competenties, en stimuleren leren op de werkvloer'.

Klinkt goed, alleen stellen we opnieuw iets anders vast wanneer we naar de begrotingstabellen kijken. Daar wordt meteen al hard en snel bespaard op loopbaanbegeleiding, het instrument bij uitstek dat mensen advies moet geven bij het maken van loopbaankeuzes. Een beetje onheilspellend is ook dat er wordt aangekondigd dat de incentives om opleiding te volgen, geëvalueerd zullen worden. Heel dit instrumentarium werd nog maar net volledig hervormd tijdens de afgelopen legislatuur.

Rond werkbaar werk, het sluitstuk om mensen in staat te stellen om loopbaankeuzes te maken en werk en privé te combineren, vinden we dan weer bitter weinig terug. Wat er vandaag bestaat in de vorm van de werkbaarheidscheques werkt alvast niet, want deze worden amper gebruikt. En daarnaast heeft de vorige Vlaamse regering maar liefst 100 miljoen euro aan maatregelen aan werkbaar werk voor werknemers geschrapt. Het gebrek aan aandacht hiervoor in het regeerakkoord is dan ook een belangrijke blinde vlek. Het is nochtans een bekende valkuil: als je mensen verantwoordelijkheden geeft, maar niet de middelen om er iets aan te doen, dan gaan ze eronder door.

IEDEREEN IN DE UITVERKOOP?

Een derde opvallende vaststelling, en ook wel een rode draad doorheen het regeerakkoord in zijn geheel, is vermarkting en privatisering. In het hoofdstuk Werk vertaalt dit zich bijvoorbeeld in uitbesteding van taken door de VDAB of in het onderzoeken van een 'rugzakje aan ondersteuning' voor werkzoekenden. Arbeidsmarktinstrumenten zoals de individuele beroepsopleiding (IBO, een subsidie aan bedrijven om een werkloze via opleiding te laten instromen) worden voortaan door commerciële spelers aangeboden en ook in sectoren zoals de dienstencheques of de uitzendsector ingezet. Dat is een kwalijke zaak. Willen we echt dat Randstad binnenkort belastinggeld uitdeelt? Private partners hebben een rol te spelen in de ondersteuning en opleiding voor werklozen, maar men moet hen daar inzetten waar ze een meerwaarde kunnen bieden voor die werkzoekende, niet daar waar ze alleen een meerwaarde voor zichzelf kunnen realiseren. Indien we hen toestaan te beslissen over het al dan niet inzetten van IBO, kunnen ze hiermee twee keer langs de kassa passeren: eerst bij het bedrijf dat ze factureren om iemand goedkoop aan te leveren en dan nog eens bij de overheid. Dit zonder enige garantie dat het instrument ingezet wordt voor die werkzoekenden die er nood aan hebben en op een manier die een kwaliteitsvolle opleiding garandeert.

IEDEREEN WAT DUURDER?

Nog opvallend: het doelgroepenbeleid, dus de RSZ-kortingen waarvoor Vlaanderen sinds de zesde staatshervorming bevoegd is, wordt opnieuw hervormd. Deze zijn nog niet zo lang in voege, maar een deel ervan werkt niet goed. In het bijzonder geldt dat voor de maatregel voor langdurig werklozen, die te weinig gebruikt wordt. Wat betreft de RSZ-korting voor ouderen is er het probleem dat deze nauwelijks gebruikt wordt voor nieuwe aanwervingen en bij de korting voor jongeren is het grote aandeel van tijdelijke arbeid een probleem. Op zich valt er dus wel wat te zeggen voor een hervorming.

Alleen, ook hier, wanneer we de begrotingstabel ernaast leggen blijkt er toch iets anders. Via verschillende ingrepen bespaart men bijna 250 miljoen euro op de RSZ-kortingen. In ruil voorziet men slechts een fractie van dat budget voor een nieuwe korting voor een nog te bepalen doelgroep met grote afstand tot de arbeidsmarkt. Eerder dan een hervorming is dit dus een besparing en bovendien één die een groep oudere werknemers duurder dreigt te maken. We zijn zeker niet tegen een bespreking en evaluatie van de doelgroepkortingen of tegen pistes die deze middelen efficiënter kunnen inzetten. Maar hier lijkt het toch eerder om een platte besparing te gaan die niemand echt ten goede komt.

IEDEREEN AAN TAFEL?

Wie het hele regeerakkoord doorworstelt ziet ten slotte nog een rode draad: via tal van maatregelen wordt het middenveld buitenspel gezet. Dat gebeurt zowel door de hervorming van adviesraden en instellingen, waarbij middenveldorganisaties geweerd worden, als door direct financieel ingrijpen in de subsidies van organisaties. Wat dit voor het domein Werk precies betekent is nog niet geheel duidelijk. En het is hopen dat minister Crevits woord houdt in verband met haar intentie om met de sociale partners te overleggen en rekening te houden met hun adviezen. Dat zij daags na haar aanstelling de sociale partners reeds uitnodigde voor een gesprek is alvast positief. Tegelijk kunnen we er echter niet omheen dat ook binnen Werk de ingrepen op het middenveld al zichtbaar zijn in de teksten en de cijfers. Het paritair aangestuurde Syntra Vlaanderen wordt geschrapt. De lokale structuren van het Streekbeleid worden eveneens met één pennentrek weggevaagd. Verder geldt de lineaire besparing van 6% op subsidies ook binnen dit beleidsdomein en wordt de erkenning van organisaties als het Minderhedenforum expliciet in vraag gesteld. Al die ingrepen doen het democratisch draagvlak voor beleid verschralen en zijn allesbehalve vertrouwenwekkend. Het is nog maar de vraag of alle relevante partners wel aan tafel zullen zitten bij de uitrol van dit beleid, laat staan dat ze ook gehoord zullen worden.

CONCLUSIE

Algemeen genomen oogt het beeld dus niet al te fraai. Zeker, er zitten her en der ook positieve elementen in het hoofdstuk Werk. Voorbeelden zijn het verder uitrollen van duaal leren, het versterkt inzetten op erkenning van buitenlandse diploma's of het versoepelen van de regeling rond vrijwilligerswerk voor werklozen. Deze wegen echter niet op tegen de algemene indruk dat daar waar er hoge ambities worden gesteld in de tekst van het regeerakkoord, deze meteen de kop in worden gedrukt in het begrotingsluik. De cijfers tonen een andere realiteit dan de woorden. Maar ook de woorden zijn niet onschuldig: verstrenging en verharding, naar nieuwkomers en naar anderen zoals SWT'ers, deeltijds werkenden enzovoort, zitten er duidelijk ingebakken. Op het vlak van werkbaar werk zien we vooral een grote blinde vlek. En zo dreigt de balans voor zowel werklozen als werknemers negatief uit te vallen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 32 tot 36