Abonneer Log in

Waar zijn de armoede­doelstellingen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 22 tot 26

In het regeerakkoord van de regering-Bourgeois (2014-2019) stond nog dat de regering de armoededoelstellingen van het Pact 2020 wilde realiseren. Dat Pact 2020 werd gesloten in 2009 (regering-Peeters) en omvatte een langetermijnvisie die het Vlaamse beleid moest ondersteunen. De armoededoelstelling in het Pact 2020 was zeer ambitieus: in 2020 moest elk gezin een inkomen hebben dat de armoedegrens bereikt. Met andere woorden: de armoede zou worden uitgeroeid. Ik hoef er geen tekeningetje bij te maken dat die steile ambitie niet is waargemaakt. Het aandeel kinderen dat opgroeit in een gezin onder de armoedegrens is niet gedaald; het aandeel kinderen dat geboren wordt in een situatie van kansarmoede zoals die wordt vastgesteld door Kind en Gezin is sinds 2009 fors gestegen, van 8% tot 14% vandaag.

In het regeerakkoord van de regering-Jambon is er van die steile ambities niets meer te merken. Sterker nog: er worden gewoon geen armoededoelstellingen meer geformuleerd. Buiten wat vage gemeenplaatsen dat armoede, in het bijzonder kinderarmoede, ons allemaal aanbelangt (p. 15) en dat er 'resultaatsgerichte monitoring' (p. 92) zal gebeuren, wordt er met geen woord gerept over meetbare objectieven. Ook op het vlak van beleidsmaatregelen blinkt het regeerakkoord uit in vaagheid. Er staan nauwelijks concrete maatregelen in die de armoede kunnen doen dalen. Er staan daarentegen wel maatregelen in die de strijd tegen armoede moeilijker zullen maken. In wat volgt geef ik een overzicht van de meest opvallende maatregelen, of het gebrek eraan, in het domein van de armoedebestrijding.

EEN NIEUWE THERMOMETER, BETERE TEMPERATUREN?

Laat mij beginnen bij een opvallende en controversiële passage in het regeerakkoord: 'We hanteren voortaan ook een nominale armoede-indicator, die rekening houdt met alle tegemoetkomingen en sociale voordelen, zodat we naast het armoederisico ook de feitelijke armoede correct in kaart kunnen brengen. Deze nieuwe Vlaamse armoede-indicator houdt per gezinsvorm rekening met een korf van goederen en diensten en het referentiebudget dat nodig is om niet in armoede te leven' (p. 92).

Een nieuwe manier van armoede meten dus. Als het huis niet opwarmt, kan je inderdaad een nieuwe thermometer kopen. Het lijkt echter verstandiger om de ketel na te kijken. De Vlaamse regering stelt voor om de 'feitelijke' armoede 'correct' in kaart te brengen. Dat impliceert dat de huidige manier van meten geen echte armoede meet. Vandaag wordt armoede voornamelijk (maar niet uitsluitend) gemeten aan de hand van de relatieve armoedegrens: iedere Vlaming die een jaarlijks gezinsinkomen heeft onder die armoedegrens wordt beschouwd als levend met een armoederisico. Nu wordt voorgesteld om referentiebudgetten te gebruiken om armoede in kaart te brengen. Referentiebudgetten weerspiegelen de minimale kosten die mensen moeten maken om een menswaardig leven te kunnen leiden1, en zijn gebaseerd op de werkelijke prijzen van goederen en diensten en de prijzen van bijvoorbeeld voeding in de winkels. Het voordeel van dit systeem is dat er referentiebudgetten voor verschillende gezinstypes en leefsituaties kunnen worden samengesteld, zodat een meer gedetailleerd inzicht in de werkelijke kosten en noden mogelijk wordt. Het nadeel is dat het samenstellen van die budgetten zeer tijdsintensief is, en er telkens opnieuw normatieve keuzes moeten worden gemaakt: wat heb je nodig voor een minimaal aanvaardbare levensstandaard in Vlaanderen? Het nadeel van de relatieve armoedegrens is dat die de inkomens van mensen meet en geen rekening houdt met de werkelijke kosten die mensen hebben; het voordeel is dan weer dat het eenvoudige te interpreteren is, vergelijkbaar is over de tijd heen en tussen landen en regio's, en makkelijk jaarlijks gemeten kan worden.

In Vlaanderen zijn er al referentiebudgetten samengesteld.2 Wat leren we daaruit? Ten eerste dat over het algemeen de referentiebudgetten goed aansluiten bij de relatieve armoedegrens. Met andere woorden: de armoedegrens weerspiegelt wel degelijk een minimaal inkomensniveau dat noodzakelijk is om een menswaardig leven te leiden. Ten tweede dat de grootste verschillen ontstaan door huisvesting: mensen die een sociale huurwoning betrekken hebben lagere woonkosten, en dus minder nodig om rond te kunnen komen. Dat illustreert het belang van een structureel woonbeleid als noodzakelijke pijler van het armoedebeleid.

Als er in de voorbije jaren geen vooruitgang werd geboekt in de strijd tegen armoede dan komt dat niet omdat de thermometer stuk is, maar wel omdat geen enkel structureel beleid werd gevoerd om de laagste inkomens te verhogen en de woonkosten te verlagen. En net dat is cruciaal om de armoede te doen dalen. Hoe je het ook meet.

ARMOEDEBELEID ZAL STRUCTUREEL ZIJN OF NIET ZIJN

Een te laag inkomen heeft gevolgen voor iemands levenskansen op vlak van werk, onderwijs, huisvesting, gezondheid, sociale mobiliteit en dies meer. Armoede bestrijden betekent dan ook dat de laagste inkomens omhoog moeten, zodat de levensomstandigheden van deze mensen beter en stabieler worden. Die stabiliteit is een voorwaarde om kansen te kunnen grijpen. Als er schimmel op de muren staat en je leeft van rekening tot rekening, dan heeft dat een grote impact op je gezondheid en dus ook op je kans op werk. Om nog maar te zwijgen over de impact van financiële stress voor kinderen en hun schoolprestaties.

Vlaanderen is bevoegd voor heel wat van die structurele beleidsinstrumenten die voor stabiliteit kunnen zorgen. Denk aan sociale huisvesting en woonbeleid, de kinderbijslag, schooltoelages, kinderopvang, tewerkstelling, onderwijs en zorg. Wat zegt het regeerakkoord daarover? Te weinig. Ofschoon er wordt aangekondigd dat de Vlaamse regering zal inzetten op het zelfredzaam maken van mensen én op het aanpakken van de structurele oorzaken van armoede (p. 88), wordt er in de concrete uitwerking van de maatregelen een sterke nadruk gelegd op de individuele verantwoordelijkheid van mensen, en op kleinere, flankerende maatregelen zoals schuldbemiddeling, verslavingsproblematiek, energie-armoede en het beter verdelen van voedseloverschotten.

Het ontbreekt echter aan een concrete uitwerking van de structurele pijler van het armoedebeleid: welke beleidsvisie wordt er ontwikkeld omtrent de beleidsinstrumenten die voor een behoorlijk inkomen en een behoorlijke woning kunnen zorgen?

In Vlaanderen zijn er veel minder sociale huurwoningen dan elders. Tegelijkertijd nemen de kosten op de private huurmarkt hand over hand toe, vaak voor huisvesting van slechte kwaliteit, voor mensen met lage inkomens. Meer dan 150.000 mensen staan op de wachtlijst voor een sociale woning. Voor wie armoedebestrijding serieus neemt liggen de kansen hier voor het grijpen. In het regeerakkoord worden echter geen doelstellingen geformuleerd om het sociale woningaanbod fors uit te breiden. De middelen van de woonbonus die wordt afgeschaft, zouden besteed moeten worden om het sociaal woningaanbod sneller uit te breiden. Daarover geen woord. Een uitbreiding van het bestaande stelsel van de huursubsidie en de huurpremie zou een onmiddellijke en aangetoonde impact hebben op het armoederisico. Daarover geen woord.3

Ook over het Groeipakket, de Vlaamse kinderbijslag, blijft het stil in functie van armoedebestrijding. Als het al gaat om concrete maatregelen, dan gaan die over de organisatie en het beheer van de kinderbijslag, maar niet over het doelmatiger inzetten van de middelen. De aangekondigde besparingen in de kinderbijslag en de knullige formulering dat gezinnen gewoon wat 'minder meer' zullen krijgen is helaas een perfect illustratie van het gebrek aan urgentie dat het Vlaamse armoedebeleid kenmerkt. Recent wetenschappelijk onderzoek toont aan dat net de kinderbijslag een zeer effectieve manier is om de armoede te bestrijden, en dat besparen op de kinderbijslag de armoede vergroot.4 Bovendien treft men met deze besparing een groep die al een verhoogd armoederisico heeft: de grote gezinnen.

JOBS, JOBS, JOBS VOLSTAAT NIET

Het activeringsbeleid is het speerpunt van het structurele armoedebeleid onder Jambon I. De relatie tussen werk en armoede is niet zo eenvoudig: een stijging van de tewerkstelling betekent niet automatisch dat de armoede daalt. Het is belangrijk dat vooral mensen die in gezinnen wonen waar niemand werkt aan de slag gaan.

Daarvoor rekent de Vlaamse regering op de 'Jobbonus'. Een klassiek Belgisch recept. Bovenop de bestaande lineaire lastenverlagingen, doelgroepkortingen allerhande, de sociale werkbonus en de fiscale werkbonus, komt er dus nog maar eens een verlaging van de lasten voor lage lonen. Pour la petite histoire: in 2011 werd de toen reeds bestaande 'jobkorting' afgeschaft, volgens bevoegd minister Muyters 'omdat ze niet werkte'. Als de köttbullar blijven mislukken terwijl je netjes het recept hebt gevolgd, dan wordt het tijd om een ander kookboek te gebruiken.

In de kinderopvang wil men absolute voorrang geven aan kinderen van werkende ouders. Maar: dat ís vandaag al zo. In recent onderzoek toonde ik samen met Michel Vandenbroeck dat nieuwe plaatsen vooral daar komen waar de vrouwelijke tewerkstelling eerder is toegenomen.5 Wie kinderopvang wil gebruiken om armoede te bestrijden zal ook moeten investeren in plaatsen voor de mensen die vandaag nog niet werken. Daarover blijft het stil.

Waar wel lawaai over wordt gemaakt, is de verplichte gemeenschapsdienst voor langdurige werkzoekenden. Dat is een slecht idee. Er bestaan op het lokale niveau al heel wat mogelijkheden om mensen die ver van de arbeidsmarkt staan te begeleiden en zinvolle activiteiten te laten doen. Via de sociale economie in het algemeen en maatwerkbedrijven in het bijzonder kunnen mensen zinvolle arbeid verrichten voor een correct statuut dat ook enige stabiliteit biedt. Alleen: slechts een fractie van de mensen die in aanmerking komen voor maatwerk vinden er ook een plaats. In het regeerakkoord staat dan wel dat er bijkomende plaatsen gerealiseerd zullen worden in de sociale economie, maar zonder doelstelling of budget.

Bij de verplichte gemeenschapsdienst gaat het om een tegenprestatie in ruil voor een bestaande uitkering die onder de armoedegrens ligt. Als zo'n verplichte gemeenschapsdienst moet leiden tot betere doorstroming naar werk, dan moet het om zinvolle arbeid gaan, bij voorkeur op een plek waar men nieuwe vaardigheden kan aanleren. Maar in dat geval dreigt het reguliere jobs met correcte verloning en dito statuut te verdringen. Als het dat niet mag doen, dan verzeilt zo'n gemeenschapsdienst al snel in het prikken van papiertjes en het water geven van de planten. Dat lost niets op, en dreigt kwetsbare mensen nog verder te stigmatiseren.

Veel aandacht gaat ook naar het beperken van de toegang tot sociale rechten voor nieuwkomers. Maar dat kan de strijd tegen armoede net moeilijker maken. Vlaanderen scoort slecht wanneer het gaat om integratie van nieuwkomers in de arbeidsmarkt en in het onderwijs, met hoge armoederisico's tot gevolg. Het is cruciaal om nieuwkomers te ondersteunen en te begeleiden om ze te activeren, in plaats van de drempels tot integratie en de arbeidsmarkt te vergroten. Aan de toegang tot de sociale zekerheid verandert niets, want dat is federale materie. Maar de toegang tot de Vlaamse sociale bescherming wordt moeilijker gemaakt door er een verstrengde verblijfsvoorwaarde aan te koppelen. De Vlaamse sociale bescherming, dat gaat niet om vetpotten, maar over rolstoelen voor hulpbehoevende mensen of een toelage voor een woonzorgcentrum. Inspelen op het buikgevoel van veel mensen kan dan wel een electoraal lonende strategie zijn, effectief in het bestrijden van armoede is het niet.

EEN POSITIEVE NOOT IN EEN VALS CONCERT

Laat ik eindigen met een positieve noot. Er wordt in het regeerakkoord veel aandacht besteed aan gezinscoaches en brugfiguren om armoede op het lokale niveau vroeg op te sporen en gezinnen te begeleiden. Dat is een goed principe: niet langer wachten tot mensen de weg vinden naar de juiste dienstverlening, maar zelf op pad gaan om problemen in een vroeg stadium te detecteren. Veel steden en gemeenten zijn er al mee aan de slag gegaan, en er liepen of lopen verschillende experimenten om de effectiviteit van deze vorm van hulpverlening te testen. Helaas maakt een positieve noot een vals concert niet draaglijker om naar te luisteren. Nergens wordt concreet gemaakt welke middelen er voorzien zijn om de gezinscoaches te financieren of hoe en op welke termijn dat beleid uitgerold moet worden. Bovendien is het geen wonderoplossing. Want het succes van een gezinscoach staat of valt met de context waarin moet worden gewerkt. Als een gezin na succesvolle begeleiding vier jaar op een wachtlijst voor een sociale woning moet gaan staan, dan draag je water naar de zee. Als een gezinscoach doet wat moet, maar het structureel beleid faalt, dan is er ten gronde niets opgelost.

VOETNOTEN

  1. Storms, B., Van den Bosch K. en Cantillon, B. (2009). 'Wat heeft een gezin minimaal nodig? Een budgetstandaard voor Vlaanderen'. Acco: Leuven.
  2. Penne, T., Cornelis, I. en Storms, B. (2019). 'Reducing out-of-pocket costs to improve the adequacy of minimum income protection. Reference budgets as an EU policy indicator: the Belgian case'. CSB Working Paper 19/06, Centre for Social Policy, University of Antwerp.
  3. Verbist, G. en Vanhille, J. (2012). 'Een simulatie van huursubsidies voor huishoudens in Vlaanderen. Een verdelingsanalyse'. CSB Berichten, Antwerpen: Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck.
  4. Leventi, C., Sutherland, H., & Tasseva, I. V. (2019). 'Improving poverty reduction in Europe: What works best where?' Journal of European Social Policy, 29(1), pp. 29-43.
  5. Van Lancker, W. en Vandenbroeck, M. (2019). 'De verdeling van de kinderopvang in Vlaanderen en in de centrumsteden: spanning tussen de economische en sociale functie van kinderopvang', Centrum voor Sociologisch Onderzoek: Leuven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 22 tot 26