Abonneer Log in

Werk aan mensenrechten op het werk

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 47 tot 51

De deregulering van de internationale handel, innovaties in communicatietechnologie en logistiek, en toenemende industriële capaciteiten in groeilanden (met name in Oost- en Zuidoost-Azië) hebben bijgedragen tot een sterke groei van globale waardeketens. Hoewel dit onmiskenbaar kansen biedt voor bedrijven en werknemers in ontwikkelingslanden1, bestaan er ook reële risico's op mensenrechtenschendingen doorheen deze ketens; gaande van kinderarbeid in Congolese kobaltmijnen en Bengaalse sweatshops, over de uitbuiting van migranten op Italiaanse en Spaanse tomatenboerderijen, tot de onteigening van lokale gemeenschappen door grootschalige mijnbouw en plantagelandbouw in Colombia en op de Filipijnen.

Bedrijven komen onder toenemende druk om meer aandacht te besteden aan hoe ze bijdragen aan (risico's op) mensenrechtenschendingen, zowel in hun eigen activiteiten als in hun toeleveringsketens. Enerzijds is dit een gevolg van toenemende aandacht voor deze problematiek vanuit de media en het middenveld, wat zich vertaalt in een stijgende vraag voor 'ethisch verantwoorde' producten. Anderzijds zien we internationaal een toenemend aantal regulerende initiatieven in het domein van bedrijven en mensenrechten. Er is een duidelijke evolutie van vrijwillige initiatieven en niet-bindende soft law die verantwoord ondernemen aanmoedigen, naar harde wetgeving die bedrijven verplicht om actie te ondernemen.2 Voorbeelden zijn de UK Modern Slavery Act (2015), de Wet Zorgplicht Kinderarbeid in Nederland (2019), de Franse wet op Devoir de Vigilance (2019). Ondanks belangrijke verschillen tussen deze wetgevende initiatieven incorporeren ze allemaal – in meerdere of in mindere mate – het principe van Human Rights Due Diligence (HRDD). Dit principe, dat centraal staat in de VN-richtlijnen omtrent bedrijven en mensenrechten, kan vrij worden vertaald als de plicht om 'gepaste zorgvuldigheid' toe te passen op het vlak van mensenrechten, zowel in de eigen bedrijfsvoering als in toeleveringsketens.3

WAT DOET DE OVERHEID?

Onderzoekers van HIVA-KU Leuven hebben de laatste jaren getracht om het landschap omtrent bedrijven en mensenrechten in België in kaart te brengen. In een eerste studie van begin 2018 werd het bestaande beleidskader onder de loep genomen en vergeleken met dat in de buurlanden.4
Bij het vertalen van de VN-richtlijnen over bedrijven en mensenrechten naar een nationaal beleid kunnen overheden meer of minder nadruk leggen op het versterken van het wetgevend kader, dan wel op het ondersteunen van vrijwillige initiatieven. Waar Frankrijk de wetgevende kaart trekt, wordt in Duitsland en in Nederland sterk geïnvesteerd in partnerschappen tussen bedrijven en het middenveld. Toch heeft Nederland nu ook wetgeving op kinderarbeid in toeleveringsketens, en ligt ook in Duitsland de wetgevende piste nog op tafel.5

Net als veel andere Europese landen heeft ook België een Nationaal Actieplan uitgewerkt over bedrijven en mensenrechten. Dat plan beperkt zich echter grotendeels tot een opsomming van bestaande initiatieven en veelal vaag geformuleerde beleidsintenties. Globaal genomen zet de Belgische overheid sterk in op het sensibiliseren van het bedrijfsleven, en het ondersteunen van vrijwillige initiatieven. Een goed voorbeeld is het SDG Charter, dat bedrijven en het middenveld aanmoedigt om bij te dragen aan de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Er zijn bovendien amper middelen voorzien voor de uitvoering van het plan.

Sinds de lancering van de studie namen de Vlaamse en federale overheid in 2018 en 2019 een aantal losse initiatieven om het beleid verder in te vullen. Zo onderhandelde Vlaanderen onder meer een akkoord met de Nederlandse overheid voor de sector van de natuursteen (Truestone), en organiseerde het een internationale conferentie over transparantie in toeleveringsketens. De federale overheid organiseerde bijkomend overleg over het thema bedrijven en mensenrechten tussen verschillende Belgische stakeholders, zette een internationale conferentie op over de implementatie van de nationale actieplannen, ondersteunt een initiatief in de chocoladesector (Beyond Chocolate), en lanceerde recent een oproep voor een baseline-studie omtrent de implementatie van de VN-richtlijnen in België. Ook het middenveld heeft zich intussen vastgebeten in de materie. In navolging van haar collega's in (onder meer) Zwitserland, Frankrijk en Duitsland bereidt een brede coalitie van vakbonden en ngo's acties voor om een regelgevend kader omtrent ketenverantwoordelijkheid af te dwingen. Kortom: het Belgisch debat omtrent bedrijven en mensenrechten en de kwestie van ketenverantwoordelijkheid trekt zich stilaan op gang, en verschillende maatschappelijke actoren beginnen zich te positioneren. Op beleidsvlak blijven de resultaten voorlopig echter beperkt, zeker in vergelijking met de ons omringende landen.

WAT DOET HET BEDRIJFSLEVEN?

In afwezigheid van een coherent beleidskader, publiceerden dezelfde onderzoekers een jaar later een vervolgstudie waarin ze een inventaris opmaakten van de initiatieven die grote Belgische bedrijven reeds nemen op het vlak van ketenverantwoordelijkheid.6 Meer bepaald werd bekeken welke initiatieven 53 veelal grote bedrijven in 7 risicosectoren (chemie & farma, hout & papier, metaal, textiel, voeding, bouwmaterialen, finance) nemen ten aanzien van sociale uitdagingen in hun toeleveringsketens.

In onze sample beschikten 3 van de 5 bedrijven midden 2018 over een duurzaamheidsverslag. De kwaliteit en diepgang van deze rapportering verschilt echter sterk tussen bedrijven: waar sommige grotere spelers (zoals Solvay en Umicore) lijvige en systematische rapporten publiceren die in lijn zijn met internationale standaarden, lezen andere rapporten (zoals die van Jan De Nul en Greenyard) eerder als een bloemlezing van gefragmenteerde initiatieven, zonder blijk te geven een coherente duurzaamheidsstrategie.

Meer dan de helft van de bedrijven rapporteerde over een of meerdere initiatieven die aandacht besteden aan sociale uitdagingen in toeleveringsketens. Ook hier dient meteen opgemerkt te worden dat er sterke verschillen bestaan tussen deze initiatieven. Veruit de meeste initiatieven worden eenzijdig genomen vanuit het bedrijfsleven (individueel dan wel collectief), zoals bijvoorbeeld gedragscodes die worden opgelegd aan leveranciers. Daarnaast refereren vele bedrijven ook naar het gebruik van duurzaamheidscertificaten als FSC (duurzaam hout en papier) en RSPO (duurzame palmolie). Enkele bedrijven maakten ook melding van deelname aan multi-stakeholderinitiatieven, waarin ze samenwerken met het middenveld en in sommige gevallen ook met de overheid. Een goed voorbeeld is het Nederlandse systeem van convenanten voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen.7 Tot slot maken twee bedrijven melding van een Global Framework Agreements (GFA) met globale vakbondsfederaties8, en neemt één bedrijf (KBC) stappen op het vlak van sociaal verantwoord investeren.

Via een synthese van bestaand onderzoek en korte gevalstudies van concrete initiatieven werd ook een globale inschatting gemaakt van de sterktes en zwaktes van deze verschillende soorten initiatieven. Globaal genomen hebben ze te kampen met twee uitdagingen.

Een eerste set van uitdagingen heeft te maken met hoe respect voor mensenrechten effectief gemonitord kan worden doorheen de waardeketen. Dit probleem stelt zich vooral bij zuiver bedrijfsgestuurde initiatieven, waar er vaak een totaalgebrek is aan onafhankelijke verificatie. Maar zelfs bij systemen die gebaseerd zijn op verificatie door een onafhankelijke derde partij blijven er belangrijke uitdagingen. In vele gevallen (bijvoorbeeld bij certificatiesystemen) berust men in een systeem van 'sociale audits' die moeten peilen naar de prestaties van bedrijven op vlak van (onder meer) mensenrechten en arbeidsomstandigheden. Omwille van hun formalistische karakter (vaak wordt gewerkt met gestandaardiseerde vragenlijsten) en een reëel risico op fraude geven zulke audits echter zelden een realistisch beeld van de situatie op het terrein.9

Een tweede set van uitdagingen heeft te maken met de reikwijdte van keteninitiatieven, die al te vaak focussen op een specifieke sector, een specifiek probleem (bijvoorbeeld kinderarbeid), of een specifiek deel van de keten (vaak directe 'tier-1' leveranciers). Hierdoor blijven vele uitdagingen in het beste geval onderbelicht, of verschuiven ze in het slechtste geval naar verderop in de keten, bijvoorbeeld wanneer de kosten van audits worden afgewenteld op (leveranciers van) leveranciers.
Ten slotte hebben we de 53 bedrijven ingedeeld in vier categorieën, op basis van hoe ze omspringen met hun ketenverantwoordelijkheid. Binnen de eerste categorie vinden we bedrijven voor wie de sociale duurzaamheid van toeleveringsketens vooralsnog een blinde vlek is. Binnen deze categorie vinden we opvallend veel bedrijven die actief zijn in de sector van de bouwmaterialen. Specifiek vallen de namen van Studio 100 en Etex Building Performance (het vroegere Eternit) op. Binnen de tweede categorie vinden we bedrijven die een minimalistische strategie hanteren ten aanzien van hun toeleveringsketens, bijvoorbeeld door eenzijdig te steunen op een gedragscode voor hun leveranciers. Belangrijke voorbeelden binnen deze categorie zijn Agfa Gevaert en Tony Goetz, een goudraffinaderij die in het verleden meermaals gelinkt werd aan 'conflictgoud'.10 Bedrijven binnen de derde categorie hebben een meer uitgewerkte ketenstrategie, die echter vooral blijft steunen op zuiver bedrijfsgestuurde initiatieven. Binnen deze categorie vinden we grote publieke dienstverleners als BPost en Telenet, maar ook een bedrijf als Spadel, dat vaak geroemd wordt omwille van de aandacht die het besteedt aan duurzaamheidskwesties. Ten slotte brengt de vierde categorie bedrijven samen die een meer gediversifieerde strategie hanteren, en voor wie duurzaamheid in vele gevallen een integraal onderdeel is van de bedrijfsvoering. Typevoorbeelden zijn Umicore (dat tot tweemaal toe de award voor beste duurzaamheidsrapport won) en Vamix (Vandemoortele).

GEVRAAGD: DWINGENDER OVERHEIDSOPTREDEN

Hoewel een toenemend aantal Belgische bedrijven zich principieel bereid verklaart om haar verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van mensenrechten, beschikte midden 2018 slechts een derde van de bedrijven in onze steekproef – waarin grote bedrijven in kritische sectoren oververtegenwoordigd zijn – over een min of meer coherente strategie ten aanzien van mensenrechten in toeleveringsketens. Het huidige beleidskader, dat eenzijdig de nadruk legt op zelfregulering vanuit het bedrijfsleven, lijkt dus niet te volstaan. Met name ten aanzien van bedrijven die actief zijn in kritische sectoren, maar die mensenrechten momenteel nog helemaal niet op de radar hebben staan, lijkt een dwingender overheidsoptreden zich op te dringen. Op Europees niveau lijkt zich stilaan een consensus af te tekenen dat nieuwe wetgevende initiatieven op het vlak van bedrijven en mensenrechten onafwendbaar zijn.11 En zelfs vanuit het bedrijfsleven zelf klinkt de roep om bindende wetgeving steeds luider, getuige een recente oproep van een aantal grote chocoladebedrijven.12

Maar zelfs indien België de stap naar bindende wetgeving zou zetten, blijven er vele vragen die beantwoord moeten worden. Hoe kunnen wetgevende initiatieven worden gecombineerd met incentives en ondersteuning voor bedrijven die proactief stappen willen zetten? Moet een wetgevend initiatief zich selectief richten op enkele bedrijven (bijvoorbeeld grote bedrijven of bedrijven in kritische sectoren) dan wel op alle bedrijven? Moeten bedrijven strafrechtelijk vervolgd kunnen worden voor hun bijdrage aan mensenrechtenrisico's? Waar begint en waar eindigt de verantwoordelijkheid van bedrijven, met name waar het gaat over toeleveringsketens? En hoe kunnen we vermijden dat wetgeving perverse effecten heeft doorheen toeleveringsketens, zoals het uitsluiten van kleine producenten die niet de capaciteit hebben om aan nieuwe duurzaamheidseisen te voldoen? Deze, en andere, vragen moeten de inzet vormen van een breed en genuanceerd politiek debat.

VOETNOTEN

  1. Zie het 2020 World Development Report van de World Bank: 'Trading for Development in the Age of Global Value Chains'.
  2. Voor een geactualiseerd overzicht zie: https://www.business-humanrights.org/en/national-movements-for-mandatory-human-rights-due-diligence-in-european-countries.
  3. Voor een discussie omtrent de legale implicaties van het concept Human Rights Due Diligence, zie Bonnitcha, J., & McCorquodale, R. (2017). The concept of 'due diligence' in the UN Guiding Principles on Business and Human Rights. European Journal of International Law, 28(3), pp. 899-919.
  4. Huyse, H., & Verbrugge, B. (2018). 'Belgium and the Sustainable Supply Chain Agenda: Leader or Laggard? Review of Human Right Due Diligence Initiatives in the Netherlands, Germany, France and EU, and Implications for Policy Work by Belgian Civil Society'. Online beschikbaar op https://hiva.kuleuven.be/sites/researchchairdw/Supplychains.
  5. Specifiek wordt wetgeving overwogen indien tegen 2020 niet minstens 50% van de bedrijven met minstens 200 werknemers een duidelijke HRDD-strategie heeft.
  6. Verbrugge, B., & Huyse, H. (2019). 'Towards Socially Sustainable Supply Chains? Belgian Companies' Approaches to Human Rights and Working Conditions in their Supply Chains'.Beschikbaar op https://hiva.kuleuven.be/sites/researchchairdw/Supplychains.
  7. Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/internationaal-maatschappelijk-verantwoord-ondernemen-imvo/imvo-convenanten.
  8. Meer informatie: http://www.industriall-union.org/what-is-a-global-framework-agreement.
  9. De Clean Clothes Campaign publiceerde een lijvig en interessant rapport over dit systeem van sociale audits. Zie Clean Clothes Campaign (CCC) (2019). 'FigLeaf for Fashion: How social auditing protects brands and fails workers'. Beschikbaar op https://cleanclothes.org/file-repository/figleaf-for-fashion.pdf/view.
  10. Zie: https://www.knack.be/nieuws/wereld/illegale-export-hoe-conflictgoud-uit-venezuela-in-antwerpen-terechtkwam/article-longread-1483197.html. Hierbij dient opgemerkt te worden dat Tony Goetz sinds de publicatie van de studie haar (communicatie omtrent) haar aankoopbeleid heeft aangescherpt.
  11. Dit werd ook met zoveel woorden toegegeven door Didier Reynders, tijdens zijn hoorzitting als kandidaat Europees commissaris in het Europees parlement.
  12. Besien, B. (2019). 'Chocoladebedrijven roepen op tot wetgeving mensenrechten'. https://www.mo.be/opinie/chocoladebedrijven-roepen-op-tot-wetgeving-mensenrechten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 47 tot 51