Abonneer Log in

1.500 euro pensioen: trofee, pasmunt of valkuil?

De partituur van Vivaldi

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 91 tot 95

'Le retour du coeur', zo zet PS-voorzitter Paul Magnette de nieuwe regering-De Croo graag in de etalage. 'Ik wil dat het leven van de mensen beter wordt. We hebben de liberalen kunnen overtuigen dat de enige marge die er was om te investeren, op sociaal vlak lag. (…) Wat belet een liberaal om sociale vooruitgang te verdedigen?'1 Ook premier Alexander De Croo weet dat in deze onzekere coronatijden de bezorgdheid over het welzijn van de bevolking voorop moet staan. Het sluit wellicht ook beter aan bij zijn karakter dan het Twittergestook, de hardvochtige besparingsretoriek en het 'einde van de speeltijd'-taal.

Tegenover de politiek van verdeeldheid, van het opzetten van bevolkingsgroepen tegen elkaar, moeten solidariteit en samenwerking nu voorop staan, luidt het. Het is een verzuchting die ook in brede lagen van de bevolking leeft. Talloze malen wanneer ik in bibliotheken of parochiezalen een lezing gaf, voelde je hoe mensen snakten naar een ander verhaal. 'Hart boven hard', op initiatief van Wouter Hillaert, mobiliseerde vanaf de eerste dagen van de regering-Michel tienduizenden in het hele land met precies die boodschap.

Voor wie zich de regeringsverklaring van Michel I herinnert, is De Croo I ongetwijfeld een verademing. Peter Wouters, voorzitter van beweging.net, is hoopvol: 'Het harde taalgebruik van de voorbije jaren is weg. De stijl is anders. We krijgen meer de indruk dat samenwerken mogelijk zal zijn. (…) Er zitten heel wat sociale accenten in. (…) Zo neemt men zich vandaag voor om structureel op te komen voor mensen in kwetsbare posities.' En Luc Van Gorp, voorzitter CM, onderstreept: 'De hoop spruit vooral voort uit de toon in het regeerakkoord en van de ministers die het vertolken. (…) Zo zal het budget voor gezondheidszorg vanaf 2022 jaarlijks met 2,5% stijgen. (…) Het is onder meer de bedoeling om de gezondheidskloof – het verschil in gezonde levensjaren tussen de minst en de meest kwetsbare bevolkingsgroepen – tegen 2030 met 25% te verminderen'.2

Ook in het pensioenhoofdstuk van de formateurs Magnette en De Croo is de toon sterk verschillend van wat we in 2014 voorgeschoteld kregen. Een aantal maatregelen knopen opnieuw aan met vroeger beleid. De pensioenbonus wordt heringevoerd voor wie langer werkt. Deeltijds pensioen wordt mogelijk en zal de landingsbanen, loopbaanonderbreking of vervroegd pensioen aanvullen en niet vervangen. En er is het punt waar alle aandacht naar toe ging: het minimumpensioen van 1.500 euro netto waar het akkoord uitdrukkelijk naar verwijst.

HOE WORDT HET 1.500 EURO PENSIOEN INGEVOERD?

Voor een rijk land als België zijn de wettelijke pensioenen, zeker in de privésector, niet echt genereus te noemen. Zelfs na een voltijdse loopbaan gaat het om een bescheiden inkomen. De invoering van de tweede pijler, pensioenkapitaal waar werkgever en werknemer in bijdragen, en de derde pijler van het individuele pensioensparen, dienden dit bij te spijkeren. Tegelijk heeft de invoering van een tweede en derde pijler ertoe bijgedragen dat de eerste pijler stiefmoederlijk behandeld bleef. Wie geen aanspraak kon maken op het aanvullend pensioen was vaak onaangenaam verrast over het uitgekeerde bedrag. Erger nog was de situatie voor wie een laag loon combineerde met een onvolledige loopbaan, deeltijdse arbeid of sommige stelsels als zelfstandige. Maar liefst 1,2 miljoen mensen, de helft van alle gepensioneerden in ons land, moeten het stellen met minder dan 1.500 euro per maand. Voor wie geen spaarpotje kon aanleggen en een huurwoning betrekt, is het vaak zwarte sneeuw zien. Gelukkig helpt een solidariteitsmechanisme zoals het IGO (de inkomensgarantie voor ouderen). Maar met een inkomensgarantie van 769,61 euro voor samenwonenden en van 1.154,41 euro voor alleenstaanden liggen deze bedragen nog altijd onder de armoedegrens. Wie de kostprijs van woon- en verzorgingscentra kent, weet dat met dergelijke pensioenen de keuze voor een WZC zonder tussenkomst van het OCMW onbetaalbaar is.

Vandaar dat de eis voor een minimumpensioen van 1.500 euro netto, vanuit de vakbeweging, een aantal ouderenorganisaties en PVDA, grote bijval kende bij de bevolking. Bij de verkiezingen in 2019 namen bijna alle partijen de eis onder één of andere, al dan niet afgezwakte vorm, over.

In zijn nieuwjaarstoespraak van januari 2020 in de Nekkerhal in Mechelen gooit Bart De Wever het lokaas uit: 'Meer koeken bakken, en dan willen we die gerust meer uitdelen'.3 De N-VA-voorzitter besefte dat het verhogen van de laagste pensioenen uitstekende pasmunt kon vormen om PS over de brug te halen en alsnog de vorming van paars-groen af te wenden. Al hetzelfde weekend antwoordde Johan Vande Lanotte in De Zevende Dag dat PS best zou luisteren naar het pensioenvoorstel van De Wever. Vele dagen verder in deze aanslepende regeringsvorming zit het minimumpensioen van 1.500 euro in het akkoord tussen De Wever en Magnette. Wanneer ook die poging op een sisser afloopt, blijkt de voorzet van De Wever nu te werken om de liberale partijen aan boord te hijsen van de Vivaldi-coalitie.

De aanvaarding van het principe van een minimumpensioen van 1.500 euro is belangrijk in de versterking van het wettelijk pensioen. Tegelijk waarschuwt, toen nog gewezen sp.a-minister, Frank Vandenbroucke in een opiniestuk voor de mogelijke problemen die de maatregel inhoudt. De manier waarop de 1.500 euro zal worden ingevoerd, zal heel erg bepalend zijn. En er zijn ook de vele drempels die van toepassing zijn om het recht op een minimumpensioen te verwerven. Frank Vandenbroucke stelt geheel terecht dat veel mensen wel eens zwaar gefrustreerd zouden kunnen zijn wanneer ze zien dat de beloofde 1.500 euro voor hen iets helemaal anders betekent.4 In die context voorspelt de 1,25 miljard voor het optrekken van het minimumpensioen in de budgettaire nota van Paul Magnette niet veel goeds. Het Planbureau had het prijskaartje op meer dan 3 miljard geschat.

ADDERTJES ONDER HET GRAS

In De Standaard noteert Ruben Mooijman dan ook dat 'wie goed tussen de regels kan lezen, beseft dat er nog heel wat addertjes onder het gras verscholen zitten'.5

Het optrekken van het minimumpensioen zal geleidelijk gebeuren richting1.500 euro netto en voor een volledige loopbaan van 45 jaar. Voor wie minder heeft gewerkt, wordt het bedrag à rato berekend. Het is onduidelijk in welke mate tussentijdse indexeringen de werkelijk verhoging zullen uithollen. Duidelijk is wel dat van de 1,2 miljoen gepensioneerden met een pensioen onder de 1.500 euro, er volgens de Federale Pensioendienst slechts 673.000 in aanmerking komen voor het minimumpensioen.

Belangrijker nog zijn de paragrafen uit het akkoord die onderbelicht blijven. Zo kan de aangekondigde afbouw van 'gelijkgestelde periodes' zware gevolgen hebben voor veel toekomstig gepensioneerden. Het regeerakkoord is weinig precies in welke mate tijdskrediet, ziekte of werkloosheid zullen worden aangepakt. Wel staat er expliciet dat de voorwaarden van effectieve tewerkstelling voor een minimumloopbaanduur van 30 jaar zullen worden verstrengd en dat toekomstige hervormingen als doel hebben 'de voorziene kost van de vergrijzing te beheersen.' Ook zinnetjes als 'behoud van de opgebouwde rechten van de huidige gepensioneerden' en spelregels die niet kunnen aangepast worden 'met betrekking tot de reeds opgebouwde rechten' zijn een tweesnijdend zwaard in het kader van een pensioenhervorming waarvoor minister van Pensioenen, Karine Lalieux (PS), tegen september 2021 een concreet voorstel moet formuleren.

Vandaag is 20% van de bevolking ouder dan 65 jaar. De bevolkingsprognoses geven aan dat dit aantal met 4 à 5% zal aangroeien tegen 2040, om vervolgens tot 2070 stationair te blijven. Het is dus onvermijdelijk dat de totaaluitgave voor pensioenen zal stijgen. Volgens het referentiescenario van de Studiecommissie voor de Vergrijzing zou de kost voor de pensioenen van de huidige 10,6% van het bbp oplopen tot 13,5% in 2040, om vervolgens de stabiliseren of zelfs lichtjes te dalen.6 De vraag is dus of we in de komende twintig jaar geleidelijk ongeveer 3% meer van het bbp voor pensioenuitgaven veil hebben. Voor sommigen is dat duidelijk te veel. Elke hervorming met dit uitgangspunt, namelijk een besparingslogica terwijl het aantal gepensioneerden toeneemt, betekent verdere afbraak van pensioenrechten.

DE OORVERDOVENDE STILTE

Meer nog dan de 1.500 euro valt op wat er niet in het regeerakkoord staat. Geen woord over de eis waarvoor honderdduizenden op straat zijn gekomen de afgelopen jaren. De verhoging van de pensioenleeftijd door de regering-Michel naar 67 jaar was nochtans voor een grote meerderheid van de bevolking onaanvaardbaar.

In de aanloop van de laatste verkiezingen verklaarde sp.a van de pensioenleeftijd een breekpunt te willen maken en enkel in een regering te stappen die de pensioenleeftijd opnieuw zou verlagen naar 65 jaar.7 Ook voor PS-voorzitter Elio Di Rupo moest de pensioenleeftijd terug naar 65 jaar en in het kader van een regeringsvorming zou PS daarover 'intransigeant' zijn of met andere woorden geen compromis aanvaarden.8 Dat Paul Magnette daar nu een 'symbolische 67 jaar'9 van maakt, verguldt de pil niet. In een commentaarstuk in De Standaard onder de titel 'Hogere pensioenen betekent langer werken' schrijft Bart Brinckman dat 'de belofte van minimumpensioen van 1.500 euro deels sirenenzang blijft' maar dat de discussie over de zware beroepen hiermee een staatsbegrafenis krijgt.10

In Lang leve de vergrijzing beschrijven we hoe een toenemende levensverwachting niet betekent dat de mens langer leeft.11 We worden met velen oud wat het gemiddelde optrekt. Maar de zestigjarige van vandaag is nog altijd even oud als vijftig jaar geleden. Het verouderingsproces is niet veranderd. Eén op drie zestigjarigen kampt met gezondheidsproblemen die werken moeilijk of onmogelijk maken. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de instroom in invaliditeit de laatste jaren sterk toeneemt. In een rijk land als het onze is langer werken niet het goede antwoord op de betaalbaarheid van de pensioenen.

WIE ZAL DAT BETALEN?

Dat langer werken wordt gevoed vanuit het idee dat pensioenen onbetaalbaar zouden zijn. De werkelijkheid is wel anders. De tax shift – beter tax cut – van de regering-Michel bijvoorbeeld zorgde niet voor meer jobs, maar voor meer winst voor de bedrijven.12 Samen met de verlaging van de vennootschapsbelasting bedragen de minderinkomsten voor de overheid zo'n 2% van het bbp. In één knip, twee derden van de extra pensioenuitgaven. Intussen wordt de progressieve belasting op inkomens verder uitgehold, terwijl de accumulatie van grote vermogens ongekende hoogten bereikt. Sinds kort telt ons land dertig euromiljardairs. De progressieve vermogensbelasting van Paul De Grauwe die start met 1% boven 1 miljoen euro vermogen en 4% bedraagt boven 1 miljard euro vermogen, kan naar schatting tussen de 20 en de 24 miljard euro opbrengen of meer dan 5% van het huidige bbp.13 Er is dus echt wel ruimte voor investeringen en betere ondersteuning van gezondheidszorg, onderwijs, cultuur of pensioenen.

De vraag is hoe 'de eerlijke bijdrage van die personen die de grootste draagkracht hebben om bij te dragen' zoals het regeringsakkoord stelt, zal worden geconcretiseerd.

Voorlopig lijkt het er sterk op dat, ondanks de corona- en de klimaatcrisis, deze regering nog altijd gevangen zit in het economisch denken van vorige eeuw. Zelfs de hoogdringendheid van de klimaatcrisis leidt niet tot een breuk met het groeifundamentalisme. Terwijl computers en robotica onze arbeidsmarkt dooreenschudden en de feitelijke monopolies van de techgiganten superwinsten opleveren, komt deze regeringsverklaring niet verder dan voorzichtige stappen naar een digitale taks tegen 2023. Als toverformule geldt nog steeds het opdrijven van de activiteits- en werkgelegenheidsgraad. Die obstinate hardnekkigheid om economische groei nog verder te willen doen toenemen door mensen meer en langer te laten werken staat haaks op wat een economie in dienst van de mens en de planeet nodig heeft en wat de technologie niet alleen mogelijk maakt, maar ook opdringt.14

Eén van de weinige dingen die vaststaan is dat de productiviteitsgroei zal blijven toenemen. Dat die vandaag gebrekkig gemeten wordt, wat leidt tot de bewering dat er onvoldoende productiviteitsgroei is, verandert niets aan het gegeven dat we met steeds minder arbeid meer goederen en diensten produceren.15 Het is hoog tijd om die productiviteitswinst beter te verdelen; om na te denken over de financiering van sectoren zoals rechtspraak, onderwijs of zorg waar productiviteitswinst moeilijker te realiseren is; om productiviteitsgroei om te zetten in meer vrije tijd voor iedereen met een kortere arbeidsweek, meer mogelijkheden voor tijdskrediet en ouderschapsverlof en ja, ook door het verlagen van de pensioenleeftijd.

VOETNOTEN

  1. De Standaard, 3/10/2020, interview Paul Magnette.
  2. Visie, 8/10/2020.
  3. Vansevenant J., VRT NWS, 13/1/2019.
  4. Vandenbroucke F., Uitgelezen kans voor vereenvoudiging pensioenen. De Tijd, 2/1/2020.
  5. Mooijman R., De Standaard, 30/9/2020.
  6. Studiecommissie voor de Vergrijzing, Hoge Raad van Financiën, Jaarlijks Verslag, juli 2020.
  7. De Tijd, 24/4/2019, persconferentie sp.a.
  8. RTBF, 14/1/2019.
  9. De Standaard, 3/10/2020, interview Paul Magnette.
  10. Brinckman B., Hogere pensioenen betekent langer werken. De Standaard, 10/10/2020.
  11. Deboosere P. Persoone M. 2020. Lang leve de vergrijzing. EPO. Berchem.
  12. Bultinck, B., De rekening is voor u, in Knack, 2019.
  13. Apostel A. 2020. Wat een coronataks echt kan opbrengen. Samenleving & Politiek. 27(8). pp. 50-57.
  14. Brynjolfsson, E. en A. McAfee, The Second Machine Age: Work, Progress, and Prosperity in a Time of Brilliant Technologies, 2014, W.W.Norton & Company, New York.
  15. Mazzucato M. The Value of Everything, Making and Taking in the Global Economy, 2018, Public Affairs, New York.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 91 tot 95