Abonneer Log in

Begin van het einde van het bankgeheim?

De partituur van Vivaldi

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 78 tot 79

De nieuwe federale regering is eindelijk uit de startblokken geschoten. Wat opvalt in het Regeerakkoord is dat de regering 4 miljard euro extra nodig heeft om beleid te kunnen voeren en dat de hoofdmoot van dit bedrag, met name 1 miljard euro, moet worden gezocht in fraudebestrijding. Hoe dit exact moet gebeuren is nog onduidelijk, maar het Regeerakkoord stelt wel dat bankgegevens van de Belgische banken voor de fiscus transparanter zullen worden gemaakt.

Het is duidelijk dat de performantie van fiscale fraudebestrijding afhankelijk is van informatie. Het beschikken over bankgegevens is op dat vlak dus vrij cruciaal, maar dit botst dan weer op het recht op financiële privacy. In de huidige stand van de wetgeving is het – althans wat Belgische bankgegevens betreft – zo dat de fiscale administratie bankgegevens enkel maar kan opvragen als er 'aanwijzingen van fraude' bestaan in hoofde van een bepaalde belastingplichtige.

Indien dit het geval is, dan kan de fiscus het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank raadplegen. Dat is een databank met alle Belgische en buitenlandse bankrekeningen van Belgische belastingplichtigen. Op die manier wordt de fiscus dan ingelicht over de rekeningnummers van de bankrekeningen van de belastingplichtige waarover men aanwijzingen van fraude beschikt. Indien de fiscus dan inzage wil krijgen in de bankgegevens van deze bankrekeningen, dan moet de fiscus deze vraag eerst stellen aan de belastingplichtige. Pas als deze laatste dat weigert, dan pas kan de fiscus de gegevens bij de bank zelf opvragen.

Deze bijzondere procedure voor Belgische bankrekeningen staat in schril contract met de situatie van buitenlandse bankrekeningen. Daarvoor werd sinds 2017, onder impuls van de OESO, een systeem van internationale uitwisseling op gang gebracht. In de nasleep van 9/11 en de bankencrisis werd er op internationaal vlak heel wat druk gelegd op landen met een fiscaal bankgeheim en werd er om budgettaire redenen sterk aangedrongen op fiscale transparantie. Op internationaal vlak is het vooral de OESO die van het momentum gebruik heeft gemaakt om de kar te trekken, met het uitwerken van de 'Common Reporting Standard'. Dit is een internationaal akkoord waarbij landen die zich aansluiten, de verplichting op zich nemen om met andere landen jaarlijks en op automatische basis de bankgegevens uit te wisselen van buitenlandse rekeninghouders. Ook de Europese Unie heeft een dergelijk initiatief genomen voor alle Europese Lidstaten.

Op vandaag heeft België met 109 landen een systeem van internationale uitwisseling van bankgegevens opgestart. De Belgische fiscus kan daardoor jaarlijks en automatisch de bankgegevens ontvangen van Belgische rijksinwoners die een rekening hebben in bijvoorbeeld Nederland, Luxemburg en Zwitserland. Wie een buitenlandse bankrekening bezit, weet dus dan zijn gegevens aan de fiscus zullen worden overgemaakt.

De regering-De Croo I heeft nu in het Regeerakkoord aangekondigd om ook de gegevens van Belgische bankrekeningen transparanter te maken. Zij gaat dit doen door het Centraal Aanspreekpunt te verplichten om naast de rekeningnummers zelf, ook de saldi van deze rekeningen aan de fiscus mee te delen, wanneer de fiscus bij aanwijzingen van fraude de databank raadpleegt. Of dit een grote stap voorwaarts is, is maar zeer de vraag. Het is en blijft immers een feit dat de fiscus wat buitenlandse bankrekeningen betreft jaarlijks en automatisch alle bankgegevens verkrijgt, en dat wat Belgische bankrekeningen betreft de fiscus deze bankgegevens maar kan verkrijgen als er aanwijzingen van fraude zijn.

Dit betekent uiteraard dat Belgische banken een commercieel voordeel hebben ten opzichte van buitenlandse banken die in een andere Europese lidstaat zijn gevestigd. Belgische banken kunnen ten aanzien van hun cliënteel schermen met de fiscale discretie, hetgeen buitenlandse banken uiteraard niet kunnen doen. De vraag is of dit binnen de Europese context wel kan, en of de protectionistische houding van de Belgische Staat, hier niet in strijd is met de Europese vrij verkeer van kapitaal.

De Raad van State is in ieder geval de mening toegedaan dat dit wel degelijk het geval is. In zijn advies van 10 januari 2011 bij het Wetsontwerp houdende diverse bepalingen wees de Raad in dit verband reeds op de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak Passenheim – Van Schoot. In deze zaak stelde het Hof dat er sprake is van een beperking van zowel het vrij verrichten van diensten als het vrij verkeer van kapitaal wanneer het voor een belastingplichtige minder aantrekkelijk is om spaartegoeden naar een andere lidstaat dan zijn woonstaat over te brengen en daar aan te houden, zonder dat hiervoor dwingende redenen van algemeen belang bestaan.

Het laatste woord is hier dus nog lang niet over gezegd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 78 tot 79