Abonneer Log in

Brief aan de minister van Justitie

De partituur van Vivaldi

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 74 tot 77

Waarde minister Van Quickenborne,

We zijn blij dat de Regering wil investeren in Justitie. De begrotingsinjectie die in het vooruitzicht wordt gesteld, stemt hoopvol. Justitie is een complex en vaak onbuigzaam departementVan de waar vele, vaak conflicterende belangen elkaar ontmoeten, en waar al menig minister van Justitie de tanden heeft op kapot gebeten. U staat bekend voor uw doortastendheid, doch u staat voor een zeer grote uitdaging. Wij beperken ons in deze bijdrage tot het kluwen van de straftoemeting en de strafuitvoering.

Op p. 61 van de formateursnota lezen we dat 'alle straffen zullen worden uitgevoerd' endat 'alle mogelijke inspanningen moeten worden geleverd om recidive te voorkomen. Recidivisten worden harder aangepakt, maar worden ook begeleid naar een andere levenswandel'. We herinneren u er graag aan dat de Commissie tot hervorming van het strafrecht concludeert dat strafrecht niet gelijk mag staan aan vergelding. Straffen heeft tot doel om uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring; met oog voor herstel van het sociaal evenwicht en de aangerichte schade; het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader; en het beschermen van de maatschappij. Een hele mond vol dus. Zware straffen komen niemand ten goede, noch de dader, noch het slachtoffer, noch de samenleving. De vrijheidsberoving moet volgens de Commissie door de vele nadelen echt als ultimum remedium gehanteerd worden: gemeenschapsgerichte straffen die inwerken op de achterliggende oorzaken van het delinquent gedrag beantwoorden meestal beter aan deze verschillende doelstellingen, inclusief de bescherming van de maatschappij. Wij pleiten hier zelf ook al jaren voor.

De link met de uitvoering van alle straffen is duidelijk. De gedeeltelijke niet-uitvoering en omzetting van straffen onder de drie jaar in elektronisch toezicht is het gevolg van de overbevolking in de gevangenissen, die tot mensonwaardige leefomstandigheden en onveilige werkomstandigheden leidt, vooral in de arresthuizen. Dit heeft zelfs tot een veroordeling van België geleid door het Europees Hof van de Rechten van de Mens wegens schending art.3 EVRM (Vasilescu v België 2014: vernederende behandeling). Het Hof beveelt aan om algemene maatregelen te nemen, zoals kortere straffen, minder voorlopige hechtenis en meer alternatieven. Tot nu werden in België vooral maatregelen genomen op het vlak van de strafuitvoering. De omzetting van straffen tot drie jaar in elektronisch toezicht leidt echter tot een algemeen gevoel van straffeloosheid en onvrede bij de magistraten, die als reactie langere straffen uitspreken of de voorlopige hechtenis als voorschot op de straf gaan inzetten.

De herziening van het Strafwetboek biedt een historische kans om deze vicieuze cirkel te doorbreken. De voorbeelden van Nederland en Scandinavië tonen aan dat een meer gematigd maar meer doelmatig strafrecht, met kortere gevangenisstraffen, meer individueel aangepaste geldstraffen en gemeenschapsgerichte straffen, geenszins afbreuk doet aan de bescherming van de maatschappij. Het detentieratio (aantal gedetineerden per 100.000 inwoners) is in België bijna het dubbele van Nederland of de Scandinavische landen. België heeft niet zozeer een hogere criminaliteit, maar gemiddeld veel langere gevangenisstraffen. We weten uit onderzoek echter dat de hoogte van de straffen geen impact heeft op de omvang van de criminaliteit. In westerse landen is de criminaliteit overal gestegen vanaf de jaren 1970 en overal gedaald vanaf de jaren 1990, ongeacht de bestraffing. Hogere straffen hebben ook geen ontradend effect: een belangrijk deel van de criminaliteit is niet-rationeel, en bij rationele daden weegt de subjectieve pakkans zwaarder door dan de hoogte van de straf. De uitvoering van alle straffen wordt veel realistischer in dergelijk meer gematigd strafrecht.

Een meer gematigd maar meer doelmatig strafrecht leidt tevens tot een betere aanpak van de recidive. Het 'harder aanpakken' van recidivisten wordt in België reeds toegepast sinds 1867, op het vlak van wetgeving (wettelijke herhaling), straftoemeting (zwaardere bestraffing) en strafuitvoering (strengere toelatingsvoorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidstelling en andere bijzondere uitvoeringsmodaliteiten). Dat beleid heeft duidelijk gefaald. Vrijheidsberoving op zich verandert immers niets aan de individuele en maatschappelijke oorzaken van delinquent gedrag, maar bemoeilijkt wel de mechanismen die bijdragen tot het stoppen met criminaliteit, zoals onder andere goede affectieve relaties en tewerkstelling die een pro-sociale identiteit bevordert. En hoe langer de detentie, hoe groter de detentieschade, hoe moeilijker de re-integratie. De cirkel is dus rond.

De 'begeleiding naar een andere levenswandel' is meer in lijn met de huidige wetenschappelijke inzichten over recidive en stoppen met criminaliteit. Een betere aanpak van recidive vereist de aanpak van de onderliggende problematiek, waar nodig met een aanbod van gedragsinterventie, zoals bij misdrijven die voortvloeien uit agressie, seksuele parafilie, alcohol- of drugsverslaving (zie de reeds bestaande expertise opgebouwd door bijvoorbeeld VZW Touché; I.T.E.R.; CAD; VIAS Driver Improvement, …). Dergelijke programma's zijn nu onbereikbaar voor vele gedetineerden wegens onvoldoende aanwezig in de gevangenissen en te lange wachtlijsten. Met de invoering van het individueel detentieplan vanaf 29 april 2019 zou hier verandering moeten in komen, maar zonder investeringen in mensen en middelen blijft dat plan dode letter.

We zien in dit verband wel belangrijke lichtpunten in de formatienota die stelt dat 'de geestelijke gezondheidszorg in detentie op niveau van de vrije samenleving moet worden gebracht en dat de capaciteit op vlak van maatschappelijke begeleiding en hulpverlening, alternatieven en elektronisch toezicht moet worden uitgebreid'. Investering tijdens het detentietraject in de voorbereiding van de herintrede in de samenleving is cruciaal. Dit is meteen een belangrijk antwoord op het 'probleem van gedetineerden die naar strafeinde duidelijk nog een ernstig gevaar vormen voor de maatschappij', waar de nota naar verwijst. Er is de laatste jaren inderdaad een stijging van het aantal gedetineerden dat niet vrijkomt onder voorwaardelijke invrijheidstelling, en dus zonder enige begeleiding de overgang naar de samenleving maakt. Uit onderzoek blijkt dat dit voor een belangrijk deel te maken heeft met systemische hindernissen tijdens de detentie, zoals te weinig aanbod van aangepaste programma's in de gevangenissen om iets te doen aan onderliggende problemen. Externe diensten (Gemeenschappen) en care teams (Justitie) zijn onderbemand en overbevraagd, met jarenlange wachtlijsten voor aanpak van de problemen tot gevolg, waardoor risico's op herval niet kunnen verminderen. Uitgaansvergunningen worden niet of pas zeer laat toegestaan voor intakegesprekken, begeleiding komt niet in orde en elektronisch toezicht en voorwaardelijke invrijheidstelling worden steeds uitgesteld door de strafuitvoeringsrechtbanken. Het is duidelijk dat de goed bedoelde 'weg der geleidelijkheid', zoals vandaag toegepast, faalt. België is ook één van de weinige landen in Europa waar de periode van toezicht in de samenleving langer kan zijn dan de oorspronkelijke straf. Weet u dat vandaag méér langgestraften tot het einde van hun straf in de gevangenis blijven dan dat ze voorwaardelijk vrij komen? Dit staat in schril contrast met het gevoel van straffeloosheid dat politici drijft in hun beleid dat leidt tot steeds maar verlenging van de strafduur.

Voor alle duidelijkheid: de invoering van een bijkomende vorm van toezicht na de gevangenisstraf zouden we géén goed idee vinden, want de straffen in België zijn al lang genoeg. De invoering van een automatische invrijheidstelling na de helft van de straf voor iedereen en de verplichte uitvoering van de andere helft van de straf in de samenleving, onder begeleiding, is volgens ons een beter idee. Begeleiding binnen en buiten de gevangenis zou dus een standaard onderdeel van de gevangenisstraf moeten worden. Het artikel van Rudy Van De Voorde in Panopticon uit 2020, waar hij het einde van de voorwaardelijke invrijheidstelling bepleit, kunnen we daarom alleen maar warm aanbevelen als verplichte lectuur voor u en uw kabinetsmedewerkers.

Niet alleen begeleiding, maar ook een cultuur van respect voor de menselijke waardigheid van de gedetineerden in de gevangenis is cruciaal in het kader van een goede voorbereiding op re-integratie. We weten dat hier ook nog heel wat werk aan de winkel is in de Belgische gevangenissen. In de penitentiaire wet van 2019 wordt een kader uitgewerkt van interne controle en opleiding van penitentiair personeel, waar we jammer genoeg niets over terugvinden in de het Regeerakkoord.

Wat de uitbreiding en hernieuwing van de gevangeniscapaciteit, de forensisch psychiatrische centra voor geïnterneerden, en niet onbelangrijk, de kleinschalige detentieprojecten betreft, wenst u in de voetsporen van uw voorganger te treden. Veel middelen voor beton. Maar vergeet niet dat meer gevangenissen ook meer en liefst goed opgeleid gevangenispersoneel vergt dat voor die humane gevangeniscultuur moet zorgen.

We wensen u veel succes,

Met vriendelijke groeten,
Sonja Snacken en Kristel Beyens

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 9 (november), pagina 74 tot 77