Abonneer Log in

Oostende: gunstige kentering ingezet

HALVERWEGE DE LOKALE LEGISLATUUR (2018-2024)

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 8 (oktober), pagina 68 tot 71

In juni zagen we eindelijk een knik in de kansarmoede-index voor de cijfers uit Oostende.

Het stadsbestuur maakt best nu al een plan op om de post-covid armoede-uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.

We moeten blijven inzetten op een aantal essentiële sleutels zoals sociale huisvesting en kinderopvang.

Aan het einde van de vorige legislatuur bedroeg de kinderkansarmoede in Oostende 34%, een bom onder onze stad. Bart Tommelein (Open VLD) en zijn schepencollege pakten dan ook uit met een ambitieus plan om de cijfers naar beneden te drukken. Ook schepen van Welzijn en Zorg, Natacha Waldmann (Groen), hoorden we al enkele malen verklaren dat een armoedebeleid niet op een minimaal bestaan moet mikken, maar op een menswaardig bestaan. We zitten nu in de helft van de legislatuur: tijd voor een stand van zaken.

DE SCHOOL ALS SPIEGEL VOOR DE MAATSCHAPPIJ

Het lege brooddozensyndroom is een plastische maar zeer illustratieve term die pijnlijk aantoont welke gevolgen kansarmoede kan hebben voor onze schoolgaande jeugd. In Oostendse scholen gebeurt het niet zelden dat kinderen de lunchpauze zonder iets voedzaams moeten overbruggen. Onbetaalde schoolfacturen zijn legio en lang niet alle kinderen kunnen deelnemen aan de schoolreizen. Dit zijn niet enkel traumatische ervaringen voor een kind, maar zorgt er ook voor dat de kloof met de medestudenten enkel groter wordt.
Een bijkomend probleem in deze 21e eeuw is de 'digitale kloof'. De gemiddelde Vlaamse kleuter groeit tegenwoordig op met de iPad in de wieg. Een kind dat opgroeit in kansarmoede heeft niet alleen geen toegang tot deze instrumenten, het start ook met een gigantische achterstand om deze digitale vaardigheden onder de knie te krijgen. Het is duidelijk dat kansarmoede op middellange termijn een impact zal hebben op de schoolresultaten. Hierdoor is de kans groot dat deze jongeren zonder diploma de school verlaten of in het watervalsysteem van het onderwijs terechtkomen. Oostende moet dus absoluut een inclusief onderwijsbeleid om zoveel mogelijk jongeren alle kansen te geven om succesvol te zijn in onze maatschappij.

In juni zagen we eindelijk een knik in de kansarmoede-index voor de cijfers uit Oostende. Deze index maakt een inschatting van de gezinssituatie van pasgeboren kinderen in Vlaanderen en bundelt een aantal sociale en economische factoren om tot een gemiddeld resultaat te komen. Oostende is een stad waar de index de laatste jaren steevast hoge cijfers liet optekenen. Hoe kunnen we deze plotse daling nu verklaren? Is dit het resultaat van een adequaat stedelijk beleid tegen armoedebestrijding van de jongste legislatuur of moeten we de verklaring voor deze tendens zoeken op het subnationale niveau van de Vlaamse regering? Daarnaast kunnen ook externe factoren zoals de Covidpandemie een invloed hebben op de cijfers. Laten we even het lokaal beleid onder de loep nemen.

LOKALE INITIATIEVEN

Burgemeester Bart Tommelein verklaarde aan het begin van zijn legislatuur in 2018 dat een geïntegreerde aanpak noodzakelijk is om tot oplossingen te komen. Daarvoor keek hij vooral naar de scholen en benadrukte hij het belang van onderwijs als katalysator tegen armoedebestrijding. Om die reden wil Open VLD een hoger percentage kleuters laten deelnemen aan het kleuteronderwijs. In Oostende merken we dat de kleuters die het kleuteronderwijs overslaan quasi altijd kinderen zijn die in kansarmoede opgroeien. De stad wil de stap om hun kinderen naar school te sturen kleiner maken voor deze gezinnen door beter te informeren over wat het kleuteronderwijs allemaal inhoudt. Op die manier zullen minder kinderen met achterstand beginnen aan het eerste leerjaar en kunnen we het aantal zittenblijvers reduceren. Dit initiatief is één van de vele pijlers die het stadsbestuur bundelde in een ambitieus plan om de (kans)armoede in onze stad aan te pakken. Burgemeester Tommelein benadrukte dat dit plan enkel kan slagen als de verschillende partners op een transparante en gecoördineerde manier samenwerken. Met die partners doelt hij op alle stadsdiensten, het middenveld maar niet in het allerminst ook op de mensen die zelf in armoede verkeren.

In die geïntegreerde aanpak wil de Stad vooral een regierol opnemen naar de externe partners toe om de initiatieven op alle domeinen van het leven af te stemmen. Armoede bestrijden betekent dus dat je de verschillende bevoegdheden en domeinen moet overstijgen. Daarom werd een coördinator armoedebestrijding aangesteld die het bindmiddel moest vormen tussen alle stadsdiensten en externe partners. Deze persoon moet tevens rechtstreeks rapporteren aan de burgemeester. Het plan zelf omvat vijf pijlers die noodzakelijk zijn om een kwaliteitsvol leven te leiden. Deze zijn: stabiele tewerkstelling, een menswaardig inkomen, toegankelijke gezondheidszorg, kwaliteitsvol en betaalbaar wonen en een gekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs. Rond deze 5 pijlers ontwikkelde de stad, na overleg met experts en mensen uit het middenveld, verschillende acties. Voor de laatste pijler die de kwalitatieve uitstroom uit het onderwijs moet garanderen, werden bijvoorbeeld diverse brugfiguren aangesteld die jongeren moeten begeleiden in de lange weg naar hun diploma secundair onderwijs.

De vraag is nu of we na bijna drie jaar in deze legislatuur al het resultaat van dit plan kunnen waarnemen. In 2018 bedroeg het percentage kansarmoede nog 34,2%, in 2019 was dat 30,1% en in 2020 zakten we verder naar 28,9%. Dat percentage blijft vrij hoog in vergelijking met andere steden in Vlaanderen, maar we zien toch een significante daling. In welke mate is het plan hiervoor verantwoordelijk? Schepen voor Armoedebestrijding, Natacha Waldmann, bemerkt terecht dat het logisch is dat de trend ooit eens moest dalen, zeker als je als stad van zo ver komt. Volgens haar dragen de inspanningen van het stadsbestuur hier zeker tot bij, maar hebben we de komende jaren nog een lange weg af te leggen om nog meer resultaat te zien. Ook Bart Tommelein geeft aan dat de stad nog steeds gebukt gaat onder een hoog percentage kansarmoede maar hij maakt zich sterk dat er met de vooropgestelde budgetten en beleidsprioriteiten zeker een verdere daling mogelijk is.

De vraag is nu enerzijds of die kentering volledig te verklaren valt door de inspanningen van het stadsbestuur. Anderzijds moeten we ons afvragen of we de vorige legislatuur mogen culpabiliseren voor de traditionele hoge armoedecijfers in onze stad. Beide antwoorden zijn genuanceerd. Ten eerste ontstaat kansarmoede niet in een vacuüm, maar tegen een maatschappelijke achtergrond waar een veelheid aan factoren speelt. Zo telt de ene stad meer bewoners met een migratieachtergrond dan de andere. Voor kinderen die geboren worden bij een niet-Belgische moeder is de kans maar liefst vijf keer groter dat ze in kansarmoede verzeild geraken, een significant verschil dus. Daarnaast botsen lokale overheden vaak op beperken die hen opgelegd worden door de deelstaatregeringen. Ondanks dat de lokale besturen de laatste jaren meer beleidsinstrumenten in handen hebben gekregen, blijft het moeilijk werken binnen het afgebakende raamwerk van de Vlaamse overheid. Zo heeft een stadsbestuur weinig te zeggen over de lage uitkeringen, het tekort aan sociale huisvesting, het gebrek aan kinderopvang, … omdat dit bevoegdheden zijn van de Vlaamse overheid. Het zou dus onterecht zijn om de kansarmoedecijfers uit Oostende volledig te wijten aan het vorige bestuur. Toch merken we dat het armoedebestrijdingsplan wel degelijk haar vruchten afwerpt en op korte termijn resultaten boekt. Het huidige stadsbestuur maakt goed gebruik van de instrumenten die de Vlaamse overheid de afgelopen jaren heeft overgeheveld naar de lokale besturen.

Het stadsbestuur maakt best nu al een plan op om de post-covid armoede-uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.

Wat dan met de invloed van externe factoren? De kansarmoede-index wordt telkens berekend op een periode van 3 jaar. Van een Covid-effect is voorlopig dus geen sprake. In de komende jaren verwachten we uiteraard dat de pandemie haar invloed zal hebben op de armoedecijfers, ook in Oostende. Vorige week raakte nog bekend dat de inflatie stijgt tot maar liefst 3%. Dit betekent dat vooral het armere segment van onze samenleving heel wat koopkracht zal verliezen, wat uiteraard zal resulteren in meer (kans)armoede. Het stadsbestuur maakt best nu al een plan op om deze toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Een tweede uitdaging is de aanhoudende migratieproblematiek. Waar Covid een recente crisis is, gaat het hier echter om een fenomeen waar onze overheden al langer oplossingen voor moeten uitdokteren. Ik kijk echter met argusogen naar de verschillende conflictsituaties in het Midden-Oosten en de onmacht van Europa om hier gepast op te reageren, laat staan om de stroom aan vluchtelingen te coördineren. Lokale besturen staan vaak voor een voldongen feit en moeten roeien met de riemen die ze hebben. De stad moet haar burgers tonen dat diversiteit een verrijking is. Inzetten op inclusief onderwijs, waarin de meertaligheid van het kind als een kans en niet als een gebrek gezien wordt, is het devies.

We moeten blijven inzetten op een aantal essentiële sleutels zoals sociale huisvesting en kinderopvang.

We kunnen concluderen dat de Stad zeker goed op weg is om de armoedecijfers naar beneden te drukken. Deze inspanningen hebben zich al vertaald in zakkende cijfers, maar we mogen niet vergeten dat we van erg ver komen. Die daling mag dus gerust nog wat voortduren en liefst ook wat steiler zakken. Katrien Verhegge, topambtenaar bij het Vlaams agentschap Opgroeien, vatte de complexiteit mooi samen. 'Deze index toont aan dat je het complexe fenomeen kansarmoede niet in een jaar tijd kan keren. Daarom moeten we blijven inzetten op een aantal essentiële sleutels zoals sociale huisvesting en kinderopvang om de kansen van deze gezinnen te vergroten.' Ons stadsbestuur moet dus de inspanningen volhouden, maar het is minstens even belangrijk om in dialoog te gaan met het Vlaamse niveau, de verschillende interne en externe partners en de mensen die in armoede verkeren. Door intensief overleg met Vlaamse topambtenaren en het formuleren van concrete initiatieven kunnen lokale besturen proberen om meer middelen naar zich toe te trekken. We moeten ambitieus zijn, maar om deze ambities te vervullen zijn er gepaste budgetten nodig. Ons stadsbestuur is goed bezig. Het is zaak om die inspanningen aan te houden en de ambities constant bij te stellen. Er is nog heel wat ruimte voor verbetering.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 8 (oktober), pagina 68 tot 71

HALVERWEGE DE LOKALE LEGISLATUUR (2018-2024)

Aalst: het Kopenhagen aan de Dender?
Dieter Janssens
Antwerpen: continuïteit met wat rode rimpelingen
Mark Morren
Bergen: rood-groene hoofdstad van Henegouwen
Giuseppina Desimone
Brugge: er is meer dan haven en stedeschoon
Filip Canfyn
Brussel: er beweegt wat in de hoofdstad
Eric Corijn
Charleroi: opnieuw werk aantrekken
Pascal Verbeken
Genk: beleid met de nadruk op continuïteit
Fouad Gandoul
Gent: tussen hamer en aambeeld
Karel Van Keymeulen
Hasselt: stabiliteit maar weinig bezieling
Timmie Van Diepen
Kortrijk: post-renaissance zonder grandmaster Q
Nicolas Bouteca
Leuven: een progressief bestuur in een rijke stad
Walter Pauli
Luik: politieke hoogspanning aan de Maas
Pierre Verjans
Mechelen: bouwen voor de witte middenklasse
Sarah Wagemans
Namen: de schone slaapster wakker geschud
Christophe Deborsu
Oostende: gunstige kentering ingezet
Kathelijn Vervarcke
Roeselare: een olympische evaluatie
Tom Verhelst
Sint-Niklaas: de plannen zijn te mooi om waar te zijn
Johan De Vos
Turnhout: alle bouwstenen zijn aanwezig
Wouter Adriaensen